Leer de woordenschat en vragen van het KNM examen 2026 over geschiedenis en geografie van Nederland, inclusief uitleg en quiz.
Ask about this video. Answers come from its transcript only — with the timestamp, so you can check them.
Generated from the transcript and can be wrong — check the timestamp.
Key Takeaways
- KNM examen richt zich op kennis van Nederlandse maatschappij, geschiedenis en geografie.
- Belangrijke woordenschat helpt bij begrip van Nederlandse cultuur en samenleving.
- Historische kennis is essentieel, inclusief WO2 en slavernijgeschiedenis.
- Praktische tips en quizzen verbeteren het leerproces.
- Extra leermaterialen zijn beschikbaar via boek en lidmaatschap.
What the video covers
- Introductie van het KNM examen en thema 1: Geschiedenis en geografie.
- Uitleg van belangrijke Nederlandse woordenschat gerelateerd aan geografie zoals Nederland, Europa, buurlanden, provincies en steden.
- Bespreking van Nederlandse landschapselementen zoals dijken, polders, molens en deltawerken.
- Overzicht van Nederlandse geschiedenis van de Romeinse tijd tot de Tweede Wereldoorlog.
- Uitleg over belangrijke historische gebeurtenissen zoals de Tachtigjarige Oorlog, Gouden Eeuw, slavernij en WO2.
- Informatie over maatschappelijke thema’s zoals gastarbeiders, vluchtelingen en multiculturele samenleving.
- Tips om woordenschat te leren door herkenning in teksten en situaties.
- Interactieve quiz met vragen over de woordenschat en geschiedenis.
- Verwijzing naar een boek met 1000 examenvragen en extra leermaterialen.
- Aanmoediging om vragen te stellen en interactie met de maker via reacties.
Chapters
- 00:00Introductie en thema 1: Geschiedenis en geografie
- 12:47Antisemitisme en concentratiekampen
- 26:54Oorlog met Spanje en geloofsverschillen
- 43:32Belang van Utrecht in de Randstad
- 56:12Huisartsenpost en medische zorg
- 82:19Vragen over gezondheidszorg en rechten
- 99:23Mensenrechten, discriminatie en maatschappelijke hulp
- 113:45Verhuizing, inschrijving en werk
- 126:05Werkweek en sollicitaties
- 146:40Einde, samenvatting en extra leermaterialen
Full Transcript — Download SRT & Markdown
Speaker A
Hoi, wat leuk dat je kijkt! Dit filmpje gaat over het examen KNM, Kennis van de Nederlandse Maatschappij. Dit filmpje gaat over thema 1: Geschiedenis en geografie.
Speaker A
In dit filmpje leer je de belangrijke woordenschat en krijg je uitleg plus 30 vragen. Dit is versie 2026.
Speaker A
Wil je meer vragen oefenen? Dit boek met duizend mogelijke examenvragen staat op Amazon. Alle acht de thema's komen hierin aan bod. Ik heb ook verschillende vertalingen gemaakt. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video. Dit boek staat ook
Speaker A
in mijn lidmaatschap. De Nederlandse versie staat er nu op. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video. En wil je weten hoe dit boek er van binnen uitziet? Scan dan deze QR-code en je komt bij het filmpje waarin ik je dit boek laat zien.
Speaker A
Titeling is beschikbaar. Subtitles are available. En alsjeblieft, abonneer jezelf op mijn kanaal. Alleen met jouw steun kan ik groeien en kan ik zo meer mensen helpen die het Nederlands willen leren. En dat vind ik ontzettend leuk om te doen. Dus
Speaker A
alsjeblieft, subscribe, geef een duimpje omhoog, schrijf iets leuks onder dit filmpje en deel dit filmpje op social media. En je kunt nu ook een hype geven. Geef je een hype?
Speaker A
Dankjewel! We gaan beginnen. In deze video krijg je de woordenschat. Je krijgt ook een quiz over de woordenschat. En je krijgt vragen plus uitleg. We beginnen met de woordenschat.
Speaker A
Nederland. Dat is een laag land en is een land in Europa. En als het goed is, ben je nu ook in Nederland.
Speaker A
Europa. Dat is het werelddeel waar Nederland ligt. De Noordzee. Dat is de zee aan de westkant van Nederland. De Waddenzee. Dat is de zee in het noorden van Nederland.
Speaker A
Waddeneilanden. Dat zijn de eilanden in de Waddenzee. In mijn playlist van 2024, de link staat in de beschrijving van deze video, kun je precies zien waar alles ligt.
Speaker A
Buurland. Het land dat naast een ander land ligt. Zo is België een buurland van Nederland. En Duitsland is ook een buurland van Nederland.
Speaker A
Duitsland ligt ten oosten van Nederland. En België ligt ten zuiden van Nederland. De Benelux.
Speaker A
Dat zijn België, Nederland en Luxemburg samen. Van alle drie de landen zijn de eerste twee letters gepakt: B van België, N van Nederland en Lux van Luxemburg. Dus drie letters van Luxemburg. De provincie.
Speaker A
Dat is een deel van Nederland. Een hoofdstad. Dat is de belangrijkste stad van een land of provincie.
Speaker A
Amsterdam, dat is de hoofdstad van Nederland. Den Haag, dat is de stad van de regering en de koning.
Speaker A
Rotterdam, dat is de stad met de grootste haven. Utrecht, dat is een stad in het midden van Nederland. Utrecht is ook een provincie. De Randstad. Dat is een gebied met veel grote steden en banen: Utrecht, Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. Schiphol.
Speaker A
Dat is de grootste vluchthaven van Nederland. Het grootste vliegveld. De haven. Dat is een plek waar schepen aankomen.
Speaker A
Zeespiegel, dat is de hoogte van de zee. De dijk, dat is een soort muur die water tegenhoudt. Een duin, dat is een hoge zandheuvel bij de zee. Een molen, een draaiend mechaniek dat op wind, water, spierkracht of
Speaker A
een motor werkt om taken uit te voeren, zoals het malen van graan. Een polder. Dat is land dat eerst water was.
Speaker A
De watersnoodramp. Dat is een grote overstroming in 1953 in Zeeland. Deltawerken. Dat zijn grote dammen tegen overstromingen.
Speaker A
Naar aanleiding van de watersnoodramp kwamen de deltawerken om een dergelijke overstroming in de toekomst te voorkomen.
Speaker A
De Afsluitdijk. Dat is de dijk tussen Noord-Holland en Friesland. Het IJsselmeer. Meer dat vroeger zee was. Het IJsselmeer was vroeger de Zuiderzee.
Speaker A
De geschiedenis. Oude tijden. De Romeinse tijd. Duurde tot ongeveer 500 na Christus. In 476 na Christus viel het Romeinse Rijk uiteen. De Middeleeuwen. Dat is grofweg gezegd de tijd van 500 tot 1500.
Speaker A
De Tachtigjarige Oorlog. Dat is de oorlog tegen Spanje. Van 1568 tot 1648. Willem van Oranje. Dat is de leider van de opstand tegen Spanje.
Speaker A
Een republiek. Dat is een land zonder koning. De Lage Landen. Dat is de oude naam voor Nederland en omgeving. Protestants of katholiek, dat zijn stromingen binnen het christelijk geloof.
Speaker A
Wil je hier meer over weten? Laat het dan weten onder deze video. De Gouden Eeuw. Dat was de 17e eeuw, de tijd van rijkdom en welvaart. Dus van 1600 tot 1700.
Speaker A
Dat is de 17e eeuw. Er werd toen heel veel handel gedreven. Dat is het kopen en verkopen van producten.
Speaker A
De handel ging ook over zee. De VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie, was een grote handelsorganisatie. Er was ook driehoekshandel.
Speaker A
Dat is de handel tussen Europa, Afrika en Amerika. Later meer over deze driehoekshandel. Een schilderij. Dat is een schilderwerk dat in een museum hangt bijvoorbeeld. En Rembrandt van Rijn was een beroemde Nederlandse schilder. Zoek zijn schilderijen maar eens op
Speaker A
internet. Ze zijn prachtig. De slavernij. Mensen zijn eigendom van anderen. Een slaaf is dus een persoon zonder vrijheid.
Speaker A
Ze werkten veelal op plantages. Dat is een groot land waar slaven werkten. Koloniën. Dat zijn landen die bij Nederland hoorden. Ketikotti, dat is de herdenking van de afschaffing van de slavernij van 1863.
Speaker A
Ketikotti betekent gebroken ketenen en wordt gevierd op 1 juli. Onafhankelijk of onafhankelijkheid. Niet meer van een ander land afhankelijk zijn.
Speaker A
Dan zijn ze dus niet meer van een ander land afhankelijk. De Tweede Wereldoorlog, WO2. Dat is de oorlog van 1940-1945 voor Nederland. Elders begon deze oorlog eerder.
Speaker A
Bezetting. Een ander land is de baas. Duitsland bezette in de Tweede Wereldoorlog Nederland. Duitsland was dus de bezetter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er veel antisemitisme. En niet alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Speaker A
Antisemitisme is de haat tegen Joden. Een concentratiekamp. Dat is een gevangenkamp in de oorlog. Ook wel een vernietigingskamp.
Speaker A
Heel veel Joden gingen naar concentratiekampen. Bijvoorbeeld naar Auschwitz. Daar zijn ze niet levend uitgekomen.
Speaker A
Onderduiken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten veel mensen onderduiken. Onderduiken betekent verstoppen, jezelf verstoppen voor de vijand, de Duitsers dus in dit geval.
Speaker A
De Duitsers waren de nazi's. Anne Frank moest ook onderduiken. Zij was een Joods meisje en zij schreef een beroemd dagboek, Het Achterhuis. Want daar zat ze ondergedoken. De dodenherdenking, dat is op 4 mei. Dan worden alle oorlogsslachtoffers herdacht. Niet alleen van de Tweede Wereldoorlog, maar van alle
Speaker A
oorlogen. We zijn dan twee minuten stil om acht uur 's avonds. En op 5 mei vieren we feest. Dat is Bevrijdingsdag. Dan vieren we de bevrijding van Nederland. Er zijn dan allerlei festivals in Nederland.
Speaker A
De gastarbeider. Dat is iemand die komt werken. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen veel gastarbeiders naar Nederland.
Speaker A
Zij kwamen uit andere landen naar Nederland. Een vluchteling. Dat is iemand die vlucht voor oorlog. Iemand die vlucht voor een dreigende situatie in zijn of haar land.
Speaker A
Gezinshereniging. Dat betekent dat de familie later komt. De familie wordt herenigd. Het gezin wordt herenigd.
Speaker A
De multiculturele samenleving. Veel culturen leven samen. Dan, hoe moet je deze woorden allemaal leren? Mijn tip: herken deze woorden in een tekst of vraag en weet wat ze betekenen.
Speaker A
Begrijp deze woorden in een zin en uitleg. Koppel deze woorden aan een situatie of plaatje. Dan onthoud je het beter. Dat is mijn ervaring. Je hoeft geen lange uitleg te kunnen geven en je hoeft ook niet alles uit je hoofd te leren. Als je het maar begrijpt. Heb je een
Speaker A
vraag? Stel hem dan onder deze video. Ik help je graag verder. Dan tot zover de woordenschat. Dan ga ik nu verder met een korte quiz over de woordenschat. Haat tegen Joden. Is dat antisemitisme, vluchteling of gastarbeider?
Speaker A
Dat is antisemitisme. Volgende. Herdenking, afschaffing, slavernij. Is dat dodenherdenking, bevrijdingsdag of ketikotie? Dat is ketikotie.
Speaker A
Heb je vragen? Stel ze onder deze video. Ook als ik bijvoorbeeld wat vergeten ben. Laat het mij weten. Dankjewel!
Speaker A
Eilanden in de Waddenzee. Zijn dat... is dat Europa, de Randstad of Waddeneilanden? Dat zijn de Waddeneilanden, bijvoorbeeld Texel of Schierm.
Speaker A
De hoofdstad van Nederland. Is dat Den Haag, Rotterdam of Amsterdam? Dat is Amsterdam. Een plek waar schepen aankomen. Is dat Schiphol, de haven of de polder?
Speaker A
Dat is de haven. De haven van Rotterdam. Tot zover de quiz over de woordenschat. Dan gaan we nu verder met de vragen en uitleg. Vraag 1 Rosa kijkt op de kaart van Nederland. Ze ziet een zee aan de
Speaker A
westkant van het land. Welke zee is dit? A. De Waddenzee B. De Noordzee C. De Middellandse Zee Dat is de Noordzee. Hier ligt Nederland en dit is de Noordzee.
Speaker A
A is fout, want de Waddenzee ligt in het noorden van Nederland. C is ook fout, de Middellandse zee ligt niet bij Nederland.
Speaker A
Sandra woont in Amsterdam en werkt in Rotterdam. Dit gebied hoort bij... A. De provincie Zuid-Holland. B.
Speaker A
De Randstad. C. De Polder. A is fout, want Amsterdam ligt niet in Zuid-Holland. C is ook fout.
Speaker A
De polder is land dat eerst water was. Waarom zijn dijken belangrijk in Nederland? a. Omdat Nederland veel bergen heeft. b. Omdat een deel van Nederland onder de zeespiegel ligt. c. Omdat Nederland geen rivieren heeft.
Speaker A
Dat is antwoord B, omdat een deel van Nederland onder de zeespiegel ligt. A is fout. Nederland heeft bijna geen bergen. C is ook fout.
Speaker A
Nederland heeft juist veel rivieren. Een voorbeeld van een berg is de Vaalserberg. Vraag 4 Na de watersnoodramp van 1953 werden grote bouwwerken gemaakt. Hoe heten die?
Speaker A
a. De Deltawerken b. De Randstad c. De Afsluitdijk Wat zijn de deltawerken? B is fout, want de Randstad is een stedelijk gebied. C is ook fout, de Afsluitdijk is ouder.
Speaker A
Vraag 5 Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik help je graag.
Speaker A
Sofieke leert over land dat vroeger water was. Hoe heet dat land? A. Duin B. Haven C. Boulder Dat is C.
Speaker A
A is fout. Een duin is een zandheuvel. B is ook fout. Een haven is voor schepen.
Speaker A
Vraag 6. In welke tijd woonden de Romeinen in delen van Nederland? A. In de Gouden Eeuw. B.
Speaker A
in de Tweede Wereldoorlog. C. In de Romeinse tijd. Dat is antwoord C. In de Romeinse tijd.
Speaker A
A is fout. Dat was veel later. De Gouden Eeuw was de 17e eeuw. B is ook fout, want dat was in de 20e eeuw.
Speaker A
Vraag 7 Welke stad werd al door de Romeinen gebruikt? A. Nijmegen B. Almere C. Lelystad Dat is antwoord A. Nijmegen.
Speaker A
A en C zijn fout. Deze steden zijn modern. Almere is van 1975 en Lelystad van 1967.
Speaker A
Vraag 8. Koen maakt zijn profielwerkstuk voor school. Hij heeft een geschiedkundig onderwerp gekozen. Wat hoort bij de middeleeuwen? a. Ridders en kastelen b. Handel met de VOC c. De Europese Unie Dat is antwoord A. Ridders en kastelen.
Speaker A
B is fout. Dat hoort bij de Gouden Eeuw. En C is ook fout. De EU is modern. De modernste van de drie. 1993 met het verdrag van Maastricht. Er zijn wel enkele voorlopers van de EU.
Speaker A
daar meer over weten, laat het weten onder deze video. Vraag 9 Waarom was er een oorlog met Spanje in de 16e eeuw? a. Spanje wilde Nederland rijk maken. b. Er was verschil in geloof en macht. c.
Speaker A
Nederland wilde koloniën in Amerika. Dat is antwoord B. Er was verschil in geloof en macht.
Speaker A
A is fout. Want Spanje wilde juist de macht houden. C is ook fout. Dat kwam later.
Speaker A
Vraag 10 Wie was de leider van de opstand tegen Spanje? A. Willem van Oranje B. Rembrandt van Rijn C. Anne Frank Dat is antwoord A, Willem van Oranje.
Speaker A
B is fout, want Rembrandt van Rijn was een schilder. C is ook fout. Anne Frank leefde in de twintigste eeuw en schreef het beroemde dagboek Het Achterhuis, terwijl ze ondergedoken zat.
Speaker A
Hoe heette Nederland na de Tachtigjarige Oorlog? a. Koninkrijk der Nederlanden b. Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden c. Europese Unie Dat is antwoord B. Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Speaker A
A is fout. Dat kwam later. C is ook fout, want dat is geen land.
Speaker A
Nederland is onderdeel van de Europese Unie. Vraag 12. In welke periode werd Nederland rijk door handel? A.
Speaker A
De middeleeuwen. B. De Tweede Wereldoorlog. C. De Gouden Eeuw. Dat is de Gouden Eeuw. Antwoord C.
Speaker A
In de zeventiende eeuw werd veel handel gedreven. Zoveel zelfs dat kooplieden er stinkend rijk van zijn geworden. Vandaar de naam de Gouden Eeuw. Er werd veel goud verdiend. A en B zijn fout. Vraag dertien Frank is in een museum en ziet een mooi schilderij. Eronder staat
Speaker A
VOC. Wat was de VOC? A. Een politieke partij. B. Een handelsorganisatie. C. Een religieuze groep.
Speaker A
Dat is antwoord B. Een handelsorganisatie. A en C zijn fout. De VOC deed aan handel.
Speaker A
Vraag 14. Wat was de driehoekshandel? A. Handel tussen drie steden in Nederland. B. Handel tussen Europa, Afrika en Amerika. Of C. Handel tussen provincies.
Speaker A
Antwoord B. De handel tussen Europa, Afrika en Amerika. Schepen vertrokken uit West-Europa met als handelswaar vooral vuurwapens, buskruid, ijzer en textiel. Die werd in West-Afrika met de plaatselijke machthebbers en Afrikaanse en Arabische slavenhandelaren geruild voor slaven, goud en ivoor. A en C zijn fout.
Speaker A
Vraag 15. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik help je graag. En laat ook weten als ik iets vergeten ben. Dan voeg ik dat later toe.
Speaker A
Waarom is de driehoekshandel een pijnlijk onderwerp? Dat is antwoord A. Omdat mensen tot slaaf werden gemaakt.
Speaker A
Vraag 16. Dat is antwoord B, 1863. Vraag 17. Wat herdenken mensen op Ketikotti? A. Het einde van de Tweede Wereldoorlog. B. De onafhankelijkheid van Indonesië. C. De afschaffing van de slavernij.
Speaker A
Dat is antwoord C. De afschaffing van de slavernij. A is fout. Dat is op 5 mei. B is ook fout. Dat is een ander moment. In 1949.
Speaker A
Vraag 18. Nederland had koloniën. Welk land was een kolonie? A. Duitsland B. Indonesië C. Frankrijk Dat is antwoord B, Indonesië.
Speaker A
A en C zijn fout. Vraag 19 Jurgen studeert geschiedenis. Zijn afstudeeropdracht gaat over de Tweede Wereldoorlog.
Speaker A
Wanneer was Nederland bezet door Duitsland? A. 1914-1918 1940-1945 1960-1970 Dat is antwoord B. 1940-1945 A is fout, want dat is de Eerste Wereldoorlog. C is ook fout.
Speaker A
Vraag 20 Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten bepaalde mensen onderduiken. Waarom? A. Omdat ze werden vervolgd. B. Omdat ze geen werk hadden. C. Omdat ze wilden emigreren.
Speaker A
Dat is antwoord A. Omdat ze werden vervolgd. B en C zijn fout. Vraag 21 Een van de onderduikers schreef een dagboek. Dit dagboek is beroemd geworden. Wie schreef het? A.
Speaker A
Willem van Oranje B. De Koning C. Anne Frank Is antwoord C. Anne Frank Anne Frank zat ondergedoken in Amsterdam, omdat ze Joods is.
Speaker A
A en B zijn fout. Vraag 22 Soraya wil graag winkelen op 4 mei op de Dam in Amsterdam.
Speaker A
Ze ziet dat er overal hekken staan. Waarom? A. Vanwege een feest. B. Om de bevrijding te vieren. C. Om de oorlogsslachtoffers te herdenken.
Speaker A
Op de afbeelding zie je de koning en de koningin op de dam. Vraag 23 Nederland is lid van de EU. Maar waarom is Nederland eigenlijk lid? a. Voor samenwerking met andere landen. b. Omdat Nederland geen eigen regering heeft. c. Omdat Nederland geen geld heeft.
Speaker A
Antwoord A. Voor samenwerking met andere landen. Nederland werkt op verschillende vlakken samen met landen van de Europese Unie.
Speaker A
B en C zijn fout. Nederland heeft een eigen regering en Nederland is ook niet arm.
Speaker A
Waarom noemen we Nederland een multiculturele samenleving? A. Iedereen heeft dezelfde cultuur. B. Er leven mensen met verschillende culturen. C.
Speaker A
Iedereen komt uit Nederland. Dat is antwoord B. Er leven mensen met verschillende culturen. Multi betekent meervoudig. A en C zijn fout. Vraag 25 Theodora kijkt naar het nieuws. Zij ziet beelden van de Oosterscheldekering in Zeeland, die dichtgaan bij storm.
Speaker A
Waarom gaan deze dicht? A. Om schepen tegen te houden. B. Om extra eilanden te maken.
Speaker A
C. Om het land te beschermen tegen de zee. Antwoord C. Om het land te beschermen tegen de zee.
Speaker A
A is fout. Schepen zijn niet het doel van de deltawerken. B is ook fout, want dat is onjuist. Er ontstond wel een werkeiland, Neeltje Jans, vernoemd naar een schip.
Speaker A
Vraag 26 Mette woont in Utrecht. Zij hoort dat Utrecht belangrijk is in de Randstad.
Speaker A
Waarom hoort Utrecht bij de Randstad? a. Omdat Utrecht een grote stad is met veel werk. b. Omdat Utrecht ook een provincie is. c. Omdat Utrecht aan zeeligt.
Speaker A
Antwoord A. Omdat Utrecht een grote stad is met veel werk. B is fout. Utrecht is een stad en een provincie, maar dat is niet de reden dat de stad Utrecht tot de Randstad behoort. C is ook fout, want Utrecht ligt niet aan zee.
Speaker A
Vraag 27 Lin leest over de Tweede Wereldoorlog. Ze ziet dat Nederland elk jaar op 4 mei twee minuten stil is. Waarom zijn Nederlanders dan stil? A. Omdat het een feestdag is met festivals. B. Omdat iedereen vrij is.
Speaker A
C. Omdat ze denken aan de slachtoffers van de oorlog. Dat is antwoord C. A is fout.
Speaker A
Op 4 mei herdenken we de oorlogsslachtoffers. B is ook fout. Niet iedereen is vrij op 4 mei. Vraag 28 Jesus leert dat Nederland mensen heeft uit verschillende landen.
Speaker A
Waarom wonen er zoveel verschillende culturen in Nederland? a. Door kolonien, gastarbeiders en vluchtelingen. b. Omdat Nederland een groot land is. c.
Speaker A
Omdat iedereen dezelfde taal spreekt. Dat is antwoord A. Door koloniën, gastarbeiders en vluchtelingen. B is fout. Nederland is een klein land. C is ook fout. Mensen spreken verschillende talen en hebben verschillende culturen.
Speaker A
Tom kijkt op de kaart van Nederland. Hij ziet dat een groot deel van het land lager ligt dan de zee. Wat is daarom heel belangrijk in Nederland? A. Bergen en bossen.
Speaker A
B. Waterbeheer met dijken en dammen. C. Grote woestijnen. A is fout. Nederland heeft bijna geen bergen. De Vaalse berg is 322,4 meter hoog. C is fout. Nederland heeft geen woestijnen.
Speaker A
Nederland moet zich beschermen tegen water. Vraag 30 Klaas is op vakantie in het noorden van Nederland. Hij gaat met de boot naar Texel.
Speaker A
Wat voor soort plek is Texel? A. Een provincie. B. Een stad in de randstad. C. Een waddeneiland.
Speaker A
Dat is antwoord C. Een waddeneiland. Je kan met de boot van Den Helder naar Texel gaan. En omgekeerd.
Speaker A
Tot zover de vragen plus uitleg. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video.
Speaker A
En laat ook weten als ik wat vergeten ben. Wil je meer vragen oefenen? Het boek kun je vinden op Amazon met duizend mogelijke examenvragen.
Speaker A
De vertalingen staan ook op Amazon en alle linkjes staan in de beschrijving van deze video. Dankjewel voor het kijken en tot de volgende keer. Doei doei!
Speaker A
Hoi, wat leuk dat je kijkt! Dit filmpje gaat over het examen KNM. Kennis van de Nederlandse Maatschappij. Dit filmpje gaat over thema 2.
Speaker A
Gezondheid en gezondheidszorg. In dit filmpje leer je de woordenschat. krijg je uitleg en 30 vragen plus antwoorden. En dit is versie 2026.
Speaker A
Op Amazon staat dit boek met duizend mogelijke examenvragen. Alle acht de thema's staan in dit boek.
Speaker A
Er zijn ook vertalingen beschikbaar. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video. Dit boek staat ook in mijn lidmaatschap. Dit is de Nederlandse versie.
Speaker A
En wil je weten hoe dit boek er van binnen uitziet? Scan dan deze QR-code En dan kom je bij het filmpje waarin ik je dit boek laat zien.
Speaker A
Ondertiteling is beschikbaar. Subtitles are available. En alsjeblieft, abonneer je op mijn kanaal. Alleen met jouw steun kan ik groeien en kan ik zo meer mensen helpen die het Nederlands willen leren. En dat vind ik ontzettend leuk om te doen. Dus help me
Speaker A
alsjeblieft door jezelf te abonneren, door een like te geven, iets leuks te schrijven onder deze video en om dit filmpje te delen op social media.
Speaker A
En je kunt nu ook een hype geven. Dankjewel! We gaan beginnen. In deze video. Je leert de woordenschat. Dan krijg je een quiz over de woordenschat. En dan krijg je vragen plus uitleg.
Speaker A
We beginnen met de woordenschat. De gezondheid. Hoe het met je lichaam en hoofd gaat. Ziek.
Speaker A
Je voelt je niet goed. Je hebt klachten. Bijvoorbeeld hoofdpijn. Een klacht. Dat is een probleem met je lichaam of hoofd. Pijn.
Speaker A
Dat is een vervelend gevoel in je lichaam. Hoofdpijn, dat is pijn in je hoofd. Buikpijn, dat is pijn in je buik. Koorts, dat is de verhoging van je lichaamstemperatuur.
Speaker A
Lichamelijk, dat is van het lichaam. Psychisch of geestelijk, van je hoofd. Of je gevoelens.
Speaker A
Chronisch. Een ziekte die lang duurt of niet overgaat. De huisarts. Dat is de eerste dokter waar je naartoe gaat in Nederland. Heb je een klacht, bijvoorbeeld langdurig hoofdpijn, dan ga je naar de huisarts. Je belt dan naar de huisartsenpraktijk. Dat is de plek waar de huisarts werkt.
Speaker A
Een spreekuur. Dat is de tijd waarop je een afspraak hebt met de huisarts. Een afspraak maken.
Speaker A
Dat is een tijd regelen om naar de dokter te gaan. Bijvoorbeeld dinsdagmiddag om 11 uur ochtends.
Speaker A
Dat is een gesprek met de huisarts of assistente via de telefoon. De persoon die bijvoorbeeld werkt voor de huisarts en telefoontjes aanneemt.
Speaker A
Je maakt de afspraak bij de huisarts via de assistente. Het advies. Dat is uitleg of tips van de arts.
Speaker A
Het medisch dossier. Informatie over je gezondheid bij de huisarts of ziekenhuis. Toestemming geven. Zeggen dat iets mag.
Speaker A
De huisartsenpost. Dat is de dokter voor de avond, nacht en het weekend. Iets dat snel nodig is.
Speaker A
Dat is de afdeling van het ziekenhuis voor noodgevallen. Dat is een ernstige situatie waarbij je snel hulp nodig hebt. Dat is de auto die zieke of gewonde mensen vervoert.
Speaker A
Dat is het telefoonnummer voor spoed, voor brand, politie en ambulance. Een medicijn. Dat is een middel om beter te worden... Of om pijn te verminderen. Een recept. Een brief van de arts voor medicijnen. Voorschrijven. Zeggen dat je een
Speaker A
medicijn moet gebruiken. Een herhaalrecept. Hetzelfde recept nog een keer krijgen. De apotheek. Dat is de plek waar je medicijnen met recept haalt.
Speaker A
Dat is de winkel waar je medicijnen zonder recept koopt. Bijvoorbeeld paracetamol. Een etiket. Dat is een sticker op de medicijndoos met informatie. De bijsluiter.
Speaker A
Papier met uitleg over het medicijn. Ook de bijwerkingen staan erin. En een bijwerking is een vervelende reactie op een medicijn.
Speaker A
Innemen. Dat is een medicijn gebruiken. Slikken, smeren druppelen. Het ziekenhuis. Dat is de plek voor onderzoek en behandeling.
Speaker A
Een verwijsbrief. Een brief van de huisarts om naar het ziekenhuis te gaan. Doorverwijzen. Doorsturen naar een andere arts.
Speaker A
Een polykliniek. Dat is de afdeling in het ziekenhuis voor korte afspraken. De specialist. Dat is de arts die veel weet van één onderdeel.
Speaker A
Dan blijf je slapen in het ziekenhuis. Je wordt dan opgenomen. De wachtruimte. Dat is de plek waar je wacht op je afspraak.
Speaker A
De balie. Dat is de plek waar je je meldt bij binnenkomst. De gynekoloog. Dat is een arts voor vrouwen en zwangerschap.
Speaker A
De kinderarts. Dat is een arts voor kinderen. De cardioloog. Dat is een arts voor het hart.
Speaker A
De dermatoloog. Dat is een arts voor de huid en haar en nagels. De KNO-arts. Arts voor keel, neus, oor. De K van keel, de N van neus en de O van oor. De tandarts.
Speaker A
Dat is de arts voor het gebied. Een gaatje. Dat is een gat in een tand of kies.
Speaker A
En dat is de ruimte in een tand die overblijft als tandbederf verwijderd is door de tandarts. Een vulling. Dat is materiaal om een gaatje te repareren. Trekken.
Speaker A
Een tand of kies eruit halen. De fysiotherapeut. Helpt bij bewegen en spieren. Oefeningen. Dat zijn bewegingen om beter te worden.
Speaker A
De psycholoog. Helpt bij problemen in het hoofd. Zwanger. Dan groeit er een baby in je buik.
Speaker A
De verloskundige. Begeleid zwangerschap. De bevalling. Het geboren worden van een baby. Kraamzorg of kraamhulp. Dat is hulp na de geboorte.
Speaker A
Kraamtijd. Dat is de eerste tijd na de geboorte. Het consultatiebureau. Controle voor baby's en jonge kinderen. Kinderen krijgen daar bijvoorbeeld hun vaccinaties. Een vaccinatie. Dat is een prik om ziekten te voorkomen. Bijvoorbeeld mazelen of de bof.
Speaker A
Thuiszorg. Dat is hulp bij dagelijkse dingen thuis. Je krijgt dus zorg thuis. Mantelzorg. Zorg door familie of vrienden. Je zorgt bijvoorbeeld voor je moeder of je zus of je oom. Een wijkverpleegkundige.
Speaker A
Dat is een verpleegkundige voor medische zorg thuis. Een verpleeghuis. Dat is een plek waar mensen wonen die veel zorg nodig hebben.
Speaker A
Dingen zelf kunnen doen. De zorgverzekering. Dat is de verzekering voor medische zorg. De basisverzekering. Deze verzekering is verplicht voor iedereen. De aanvullende verzekering.
Speaker A
Dat is een extra verzekering en is niet verplicht. Geld dat je elke maand betaalt voor de verzekering.
Speaker A
Eigen risico Het bedrag dat je eerst zelf betaalt. Betalen door de verzekering. De zorgtoeslag.
Speaker A
Geld van de overheid voor mensen met weinig inkomen. Aanmelden. Officieel inschrijven. Bijvoorbeeld een baby bij de verzekering.
Speaker A
Bellen. Dat is telefonisch contact opnemen. Inschrijven. Jezelf officieel aanmelden. Controleren. Kijken of iets goed gaat. Onderzoeken. Kijken wat er aan de hand is. Behandelen. Zorgen dat iemand beter wordt. Helpen. Ondersteuning geven. Kiezen. Beslissen wat je wilt.
Speaker A
Leer deze woorden niet alleen uit je hoofd, maar probeer ze te gebruiken in zinnen, in gesprekken en voorbeelden uit je eigen leven.
Speaker A
Het zijn heel veel woorden en je onthoudt ze beter als je ze probeert te gebruiken in het dagelijks leven. En dan ben je ook goed voorbereid op het KNM-examen. Dan sla je twee vliegen in één klap. Tot zover de
Speaker A
woordenschat. Dan volgt er nu een korte quiz over de woordenschat. Kijken of iets goed gaat.
Speaker A
Is dat inschrijven, bellen of controleren? Dat is controleren. Bedrag dat je eerst zelf betaalt. Is dat eigen risico, mantelzorg of zelfstandig?
Speaker A
Dat is eigen risico. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik help je graag.
Speaker A
Helpt bij bewegen en spieren? De tandarts, de fysiotherapeut of de psycholoog. is de fysiotherapeut.
Speaker A
De arts voor het hart. Is dat de dermatoloog, de ginecoloog of de cardioloog? Dat is de cardioloog.
Speaker A
Is dat een medicijn, een recept of een bijsluiter? Dat is een recept. Tot zover de quiz over de woordenschat. Laat weten in de comments welk woord jij lastig vindt. Dan ga ik nu verder met de vragen plus uitleg. Vraag 1 Amina leidt aan
Speaker A
slapeloosheid en ze heeft al vier dagen veel hoofdpijn. Wat kan zij het beste doen? A. Naar het ziekenhuis gaan. B.
Speaker A
Een afspraak maken bij de huisarts. C. Paracetamol kopen bij de drogist. Dat is antwoord B. Een afspraak maken bij de huisarts.
Speaker A
Huisarts is altijd de eerste stap bij klachten die langer duren. A is fout. Je kunt niet zomaar naar het ziekenhuis zonder verwijzing.
Speaker A
En C is ook fout. Paracetamol is voor lichte, korte klachten. Vraag 2. Joris is ziek op zaterdag... En hij is zo beroerd dat hij niet kan wachten tot maandag. Het is geen spoed.
Speaker A
Wat doet hij? A. Hij belt de huisartsenpost. B. Hij belt zijn eigen huisarts. C.
Speaker A
Hij gaat meteen naar de spoedeisende hulp. En dit is geen spoed. Vraag 3. De huisarts zegt dat Onnie extra onderzoek nodig heeft in het ziekenhuis.
Speaker A
Wat krijgt zij? A. Een recept. B. Een verwijsbrief. C. Een bijsluiter. Dat is antwoord B, een verwijsbrief.
Speaker A
Met een verwijsbrief mag je naar het ziekenhuis. A is fout. Een recept is voor medicijnen. En C is ook fout. Een bijsluiter hoort bij medicijnen.
Speaker A
Vraag 4. Senna heeft last van een allergie en ze heeft medicijnen gekregen van de huisarts.
Speaker A
Waar haalt zij deze op? A. Bij de drogist. B. Bij de polikliniek. C. Bij de apotheek.
Speaker A
Dat is antwoord C. Bij de apotheek. Medicijnen met recept haal je bij de apotheek. A is fout. De drogist verkoopt alleen medicijnen zonder recept. B is ook fout. De polykliniek geeft geen medicijnen op recept.
Speaker A
Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik help je graag. Sarah gebruikt al maanden dezelfde medicijnen. Ze heeft nieuwe nodig. Wat vraagt ze? A. Een herhaalrecept. B.
Speaker A
Dat is A. Een herhaalrecept. Een herhaalrecept is voor dezelfde medicijnen en dan opnieuw, dat je ze nog een keer krijgt.
Speaker A
Vraag 6. De diagnose van de arts. Dat is antwoord B. Hoe vaak je het medicijn moet innemen.
Speaker A
Het etiket vertelt hoe je het medicijn gebruikt. A is fout. Dat staat in de bijsluiter. C is ook fout. Diagnoses staan in het medisch dossier. Die krijg je van de arts.
Speaker A
Vraag 7. Mohammed heeft s'nachts een ernstig ongeluk. Wat moet iemand doen? A. De huisarts bellen. B.
Speaker A
Naar de drogist gaan. 112 bellen. Dat is antwoord C. 112 bellen. 112 is voor noodgevallen, voor spoed. A is fout.
Speaker A
Dit is te ernstig voor de huisarts. B is ook fout. Een drogist helpt niet bij ongelukken.
Speaker A
Vraag 8. Anne heeft een klein ongelukje gehad en hij moet naar de spoedeisende hulp van het ziekenhuis. Wie wordt daar eerst geholpen?
Speaker A
het eerst binnenkomt. B. Wie de ergste klachten heeft. C. Wie een afspraak heeft. Dat is antwoord B. Wie de ergste klachten heeft.
Speaker A
De spoedeisende hulp gaat ernst voor volgorde. A is fout. Dat geldt niet bij spoed. C is ook fout. Je maakt geen afspraken op de spoedeisende hulp.
Speaker A
Vraag 9 Peter moet naar het ziekenhuis, maar blijft niet slapen. Waar gaat hij naartoe?
Speaker A
B. De apotheek. C. Het verpleeghuis. Antwoord A. De polykliniek. De polykliniek is voor korte afspraken. D is fout, dat is voor medicijnen. En C is ook fout, dat is om te wonen.
Speaker A
Vraag 10. Nine moet een nacht in het ziekenhuis blijven. Hoe heet dat? A. Inschrijven. B. Een opname.
Speaker A
C. Doorverwijzen. Dat is een opname. Antwoord B. Blijven slapen heet een opname in het ziekenhuis. A en C zijn fout.
Speaker A
Vraag 11. Ossie heeft al een paar dagen flinke kiespijn. Naar wie gaat hij? Dat is antwoord C, de tandarts.
Speaker A
Kiespijn hoort bij de tandarts. A is fout. De huisarts behandelt tanden niet. B is ook fout. De dermatoloog heeft als specialisme huidziekten.
Speaker A
Vraag 12. Lisa kan haar arm moeilijk bewegen na een val. Wie kan haar helpen? A. Een fysiotherapeut. B. Een psycholoog.
Speaker A
Dat is antwoord A. Een fysiotherapeut. Een fysiotherapeut helpt bij het bewegen. B is fout. Dat is voor mentale problemen of uitdagingen. C is ook fout.
Speaker A
Dat is voor baby's, voor moeders. Vraag 13. Mustafa heeft het heel druk met school en werk.
Speaker A
Daardoor heeft hij veel stress en slaapt hij slecht. Waar kan hij hulp krijgen? A. Bij de psycholoog. B bij de drogist. C bij de apotheek.
Speaker A
Dat is antwoord A bij de psycholoog. Psychologen helpen bij psychische klachten. B en C verkopen alleen producten. Op recept.
Speaker A
Vraag 14 Madieke is eindelijk zwanger en alles gaat dit keer goed. Ze heeft al twee miskramen gehad. Naar wie gaat zij? A. De cardioloog B.
Speaker A
De tandarts. C. De verloskundige. Dat is antwoord C. De verloskundige. De verloskundige begeleidt normale zwangerschappen. A is fout.
Speaker A
Die is voor het hart. B is ook fout. Die is voor het gebit. Vraag 15 Heb je vragen?
Speaker A
Stel ze gerust onder deze video. Ik help je graag. Kai en Nira hebben een dochtertje gekregen. Na de geboorte van de baby helpt iemand thuis. Wie is dat? A.
Speaker A
De huisarts. B. De kraamverzorgster. C. De wijkverpleegkundige. Dat is antwoord B. De kraamverzorgster. Kraamzorg is speciaal voor na de bevalling. A en C hebben andere taken.
Speaker A
Vraag 16. Een baby krijgt vaccinaties en controles. Waar? bij de huisarts. b. in het ziekenhuis. c.
Speaker A
bij het consultatiebureau. Dat is antwoord c. bij het consultatiebureau. Het consultatiebureau is voor jonge kinderen. A en B zijn niet bedoeld voor standaard babycontroles.
Speaker A
Vraag 17 Mevrouw De Vries is al 89 jaar oud en ze kan niet goed meer schoonmaken. Wie kan helpen?
Speaker A
A, thuiszorg. B. De spoedeisende hulp. C. De apotheek. Dat is antwoord A. Thuiszorg. Thuiszorg helpt bij dagelijkse taken thuis. B is voor noodsituaties en C is alleen voor medicijnen of uitleg van medicijnen, dat kan ook.
Speaker A
Vraag 18 Zorg door familie heet? A. Thuiszorg B. Mantelzorg C. Wijkverpleging Mantelzorg is hulp door familie of vrienden. A en C zijn professionele zorg. Vraag 19 Welke verzekering is verplicht in Nederland? a. De tandartsverzekering b. De aanvullende verzekering
Speaker A
c. De basisverzekering Dat is antwoord c. De basisverzekering. Iedereen moet een basisverzekering hebben. A en B zijn vrijwillig.
Speaker A
Vraag 20. Het bedrag dat je elke maand of per jaar voor de zorgverzekering betaalt, heet...
Speaker A
Dat is antwoord B. Premie. Een premie is het maandbedrag. Je betaalt, als je per maand betaalt voor de zorgverzekering, elke maand een bedrag... Voor de verzekering en dat is de premie. A. Betaal je alleen bij zorggebruik.
Speaker A
Dus als je gebruik hebt gemaakt van zorg. C. Is geld dat je krijgt. Bijvoorbeeld zorgtoeslag van de belastingdienst. Vraag 21.
Speaker A
Dat is antwoord A. Geld dat je eerst zelf betaalt. U betaalt een eigen risico als u 18 jaar of ouder bent en gebruik maakt van zorg uit het basispakket. B is fout, want dat is een vergoeding. C is ook fout. De
Speaker A
huisarts is gratis. Sander heeft een leuke baan, maar hij verdient niet zoveel. Daardoor kan hij zijn zorgverzekering niet betalen. Wie krijgen er zorgtoeslag? A. Iedereen B. Mensen met weinig inkomen C.
Speaker A
Alleen zieke mensen Vraag 23 De huisarts valt onder het eigen risico. A. Ja B. Nee C. Soms Antwoord B. Nee De huisarts is altijd gratis. Dat gaat dus niet ten koste van je eigen risico. A en C zijn daarom fout.
Speaker A
Vraag 24 Een baby moet na de geboorte A. Niet verzekerd worden B. Meteen naar het ziekenhuis C. Binnen 4 maanden aangemeld worden bij de verzekering.
Speaker A
Dat is antwoord C. Binnen 4 maanden aangemeld worden bij de verzekering. Aanmelden is verplicht. A en B zijn fout.
Speaker A
Vraag 25 Declareren betekent A. Kremie betalen B. Geld lenen C. Geld terugvragen Dat is antwoord C. Geld terugvragen.
Speaker A
Het indienen van een opgave of rekening voor gemaakte kosten, zoals onkosten, uren, zorgkosten, om vergoeding te krijgen.
Speaker A
A en B zijn fout. Vraag 26. Je voelt je ziek. Wat is de juiste volgorde? a. Ziekenhuis, huisarts, apotheek. b. Huisarts, eventueel ziekenhuis, apotheek. c. Apotheek, huisarts, ziekenhuis.
Speaker A
Dit is de Nederlandse zorgstructuur. A en C zijn fout. Je gaat altijd eerst naar de huisarts. Of huisartsenpost en bij spoed natuurlijk meteen naar het ziekenhuis.
Speaker A
Vraag 27. Een specialist weet. A. Een beetje van alles. B. Alles over de patiënt.
Speaker A
C. Veel over één onderwerp. Antwoord C. Veel over één onderwerp. Specialisten hebben één vakgebied. A hoort bij de huisarts en B is onmogelijk. Bijvoorbeeld een cardioloog, dat is een specialist voor het hart. Hij weet dus heel veel over het
Speaker A
hart. Vraag 28. Wie helpt bij professionele medische zorg thuis? a. De wijkverpleegkundige b. De mantelzorger c.
Speaker A
Kraamhulp Dat is antwoord a. De wijkverpleegkundige doet medische zorg. B is geen professional. C is alleen voor na de geboorte. Vraag 29 In Nederland wonen steeds meer oudere mensen. Dit heet vergrijzing.
Speaker A
Wat is een gevolg van vergrijzing? A. Er zijn minder ouderen die zorg nodig hebben. B. Mensen gaan minder lang leven. C. Er is meer zorg nodig voor ouderen.
Speaker A
Dat is antwoord C. Er is meer zorg nodig voor ouderen. Door vergrijzing zijn er meer ouderen en ouderen hebben vaak meer zorg nodig. A is fout. Het aantal ouderen neemt juist toe.
Speaker A
B is ook fout. Mensen leven gemiddeld juist langer. Als je dit begrip moeilijk vindt, de vergrijzing, dan kun je het misschien onthouden aan de hand van dit ezelsbruggetje.
Speaker A
Oudere mensen worden grijs. En dan heb je het over de vergrijzing. Vraag 30 Mevrouw Bakker is 82 jaar en kan niet meer alles zelf doen.
Speaker A
Wat past het beste bij de zorg in Nederland door vergrijzing? A. Alle ouderen gaan automatisch naar een verpleeghuis. B.
Speaker A
Ouderen krijgen eerst hulp thuis, zoals thuiszorg. C. Ouderen moeten hun zorg altijd zelf betalen.
Speaker A
Dat is antwoord B. Ouderen krijgen eerst hulp thuis, zoals thuiszorg. In Nederland is het beleid dat ouderen zo lang mogelijk thuis blijven wonen, indien mogelijk, en met hulp van thuiszorg. A is fout. Een verpleeghuis is pas bij zware zorg nodig, als die
Speaker A
zorg niet thuis geleverd kan worden. C is ook fout. Zorg wordt deels vergoed via de zorgverzekering en gemeente.
Speaker A
Dit was de laatste vraag en dit waren alle vragen plus uitleg. Heb je een vraag? Stel deze dan onder deze video.
Speaker A
Dan zijn we ook aan het einde gekomen van deze video en wil je meer vragen oefenen? Dan kun je dit boek vinden op Amazon met duizend mogelijke examenvragen. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video.
Speaker A
Ik wil je bedanken voor het kijken en graag tot de volgende keer. Doei doei!
Speaker A
Dit filmpje gaat over het examen KNM. Kennis van de Nederlandse Maatschappij. Dit filmpje gaat over thema 3.
Speaker A
In dit filmpje krijg je uitleg, 30 vragen... en de woordenschat die bij dit thema hoort.
Speaker A
Dit is versie 2026. Wil je meer vragen oefenen? Op Amazon staat dit boek met duizend mogelijke examenvragen. Alle acht thema's komen hierin aan bod.
Speaker A
Er staan verschillende vertalingen op Amazon. Alle linkjes vind je in de beschrijving van deze video. Dit boek kan je ook in het Nederlands vinden in mijn lidmaatschap. Met mijn lidmaatschap kan je zelfstandig oefenen voor het inburgeringsexamen. Het spreken, schrijven,
Speaker A
lezen en luisteren. Ook kun je oefenen voor het staatsexamen. Het spreken en het schrijven. Heb je vragen? Stel ze onder deze video. Ik help je graag verder.
Speaker A
Als je wilt weten hoe dit boek er van binnen uitziet, scan dan deze QR-code en dan kom je bij het filmpje.
Speaker A
Titeling is beschikbaar. Subtitles are available. En alsjeblieft, abonneer je op mijn kanaal. Alleen met jouw hulp kan ik groeien en dan kan ik zo meer mensen helpen die voor dit examen leren.
Speaker A
En ik vind het ontzettend leuk om jou te helpen. Dus alsjeblieft, abonneer op mijn kanaal, geef een duimpje omhoog Schrijf iets leuks onder deze video en deel deze video op social media. En je kunt ook een hype geven. Geef je mij een hype? Dankjewel!
Speaker A
In deze video. Je leert de woordenschat. Je krijgt een korte quiz over de woordenschat. En dan krijg je vragen.
Speaker A
We beginnen met de woordenschat. Officieel in orde maken. Aanvragen. Officieel vragen. Doorgeven. Informatie melden. Verplicht.
Speaker A
Je moet dit doen. Recht. Iets wat je mag. Plicht. Iets wat je moet doen.
Speaker A
Officieel nakijken. De gemeente. Bestuur van je woonplaats. Bali Loket. Plek waar je geholpen wordt. Waar je iets aanvraagt.
Speaker A
Verhuizing. Naar een ander adres gaan. Geboorte. Als een kind wordt geboren. Toestemming om te parkeren. Afval.
Speaker A
Vuilnis. Afvalregels. Afspraken over vuilnis. Grof vuil. Grote spullen, zoals een bank. Milieustraat. Plek waar je afval brengt. Boete. Dat is een geldstraf.
Speaker A
Identiteitsbewijs. Dat is een officieel document. Een paspoort. Dat is een internationaal identiteitsbewijs. Een ideekaart. Een Nederlands identiteitsbewijs.
Speaker A
Een rijbewijs. Het bewijs dat je mag autorijden. Identificatieplicht. Verplicht idee laten zien. Je identiteit. Je ideekaart, je paspoort of je rijbewijs. Geldig.
Speaker A
Officieel nog te gebruiken. Gestolen. Door iemand meegenomen. Kwijt. Verloren. Aangifte. Officieel melden. Fraude. Misbruik maken van gegevens. Handhaven.
Speaker A
Zorgen dat regels worden gevolgd. Politie. Zorgt voor veiligheid. Spoed. Iets dat direct moet gebeuren. Levensgevaar.
Speaker A
Gevaar voor je leven. De controle. Een officiële check. Test op alcoholgebruik. Doen wat gevraagd wordt.
Speaker A
Verboden volgens de wet. Misdrijf. Ernstig strafbaar feit. Overtreding. Minder ernstig strafbaar feit. Dader. Persoon die iets fout doet.
Speaker A
Slachtoffer. Persoon die schade heeft. Aangifte doen. Melden bij de politie. Belastingdienst. Dat is de organisatie voor belasting en toeslagen. De belasting. Geld dat je betaalt aan de overheid. Inkomsten. Geld dat je verdient. De belastingaangifte.
Speaker A
Formulier invullen voor belasting. BSN. Burgerservice nummer DigiD Digitale inlog voor overheid Jaaropgaaf Overzicht van inkomsten per jaar Het termijn Dat is een afgesproken periode.
Speaker A
In termijnen betalen In delen betalen. Toeslag. Geld dat je kunt krijgen. Inkomensafhankelijk. Hangt af van het inkomen.
Speaker A
Zorgtoeslag. Hulp bij de zorgverzekering. Huurtoeslag. Hulp bij huurbetalen. De kinderopvangtoeslag. Hulp bij opvangkosten. Het kindgebonden budget. Extra geld voor kinderen.
Speaker A
Kwijtschelding. Niet hoeven betalen. Afvalheffing. Belasting voor afval. Rioolbelasting. Belasting voor riool. Hondenbelasting. Belasting voor een hond. Parkeerbelasting.
Speaker A
Belasting voor parkeren. UWV. Organisatie voor werk en uitkering. Een uitkering. Geld als je niet werkt.
Speaker A
Een WW-uitkering. Uitkering bij ontslag. Ontslag. Je baan verliezen. Inschrijven. Officieel aanmelden. DUO. Dienstuitvoering onderwijs. Inburgering.
Speaker A
Leren over Nederland. Inburgeringsexamen. Officieel examen. Lening. Geld dat je leent. Studiefinanciering. Geld voor studie.
Speaker A
Terugbetalen. Geld teruggeven. De huur. Geld voor wonen. De huurder. De persoon die huurt. De verhuurder. Dat is de eigenaar van de woning.
Speaker A
De woningbouwvereniging. Dat is de verhuurorganisatie. De huurcommissie. Het onderhoud. Zorgen dat iets goed blijft.
Speaker A
De reparatie. Iets maken. Het juridisch loket. Gratis juridisch advies. Bij het juridisch loket... Kun je gratis juridisch advies krijgen.
Speaker A
De sociaal raadslieden. Die bieden hulp als je bijvoorbeeld formulieren moet invullen. De nationale ombudsman. Helpt bij problemen met de overheid.
Speaker A
Een klacht. Officieel iets melden. Leesje voor de rechten van de mens. Dit is het Nationaal Mensenrechteninstituut. Beoordeeld discriminatie. Respect. Goed omgaan met anderen. Een maatschappelijk werker. Biedt hulp bij problemen. De jeugdzorg. Hulp voor kinderen en jongeren.
Speaker A
Zover de woordenschat. Dan gaan we nu verder met de quiz over de woordenschat. Rechten voor iedereen. Is dat discriminatie, mensenrechten of leerplicht?
Speaker A
Brief voor ziekenhuis. Is dat inenting, huur verwijsbrief? Dat is een verwijsbrief. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik help je graag.
Speaker A
Geld dat je leent. Is dat een uitkering, een lening of ontslag? Dat is een lening. Goed omgaan met anderen. Is dat respect, klacht of discriminatie?
Speaker A
Dat is respect. Dat is de nationale ombudsman. En dit was de korte quiz. Dan gaan we nu verder met de vragen en de uitleg. Vraag 1. Amina is net verhuisd naar een andere stad. Ze wil haar nieuwe adres officieel doorgeven.
Speaker A
Waar moet ze dat doen? A. Bij de politie. B. Bij de gemeente. Dat is antwoord B bij de gemeente. De gemeente registreert verhuizingen in de basisregistratiepersonen, BRP.
Speaker A
A is fout. De politie registreert geen verhuizingen. C is ook fout. De belastingdienst krijgt je adres automatisch via de gemeente.
Speaker A
Vraag 2. Carlos is nogal slordig en hij is zijn paspoort kwijtgeraakt. Wat moet hij doen?
Speaker A
Antwoord C. Melden bij de gemeente. Bij verlies of diefstal van een identiteitsbewijs leg je een verklaring van vermissing af bij de gemeente. A is fout.
Speaker A
Dit doe je niet bij de politie. B is ook fout. Je moet eerst aangifte doen. Vraag 3 Sarah stapt uit de trein en ziet dat iemand haar fiets steelt. Wat kan zij doen? a. Aangifte doen bij de politie b.
Speaker A
Naar de gemeente gaan c. De belastingdienst bellen Antwoord A. Aangifte doen bij de politie.
Speaker A
Diefstal is een misdrijf en daarvoor doe je aangifte bij de politie. B en C zijn fout. Zij gaan niet over misdrijven.
Speaker A
Johan heeft weinig inkomen en hij kan zijn zorgverzekering niet goed betalen. Wat kan hij aanvragen? a.
Speaker A
Huurtoeslag b. Zorgtoeslag c. Kinderopvangtoeslag Zorgtoeslag kun je aanvragen bij de Belastingdienst. Je krijgt dan geld om je zorgverzekering te kunnen betalen. A is fout.
Speaker A
Huurtoeslag is voor wonen. C is ook fout. De kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming voor de kosten van de kinderopvang.
Speaker A
Vraag 5 Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik help je graag.
Speaker A
Noor heeft haar baan verloren. Waarom moet zij zich direct inschrijven? A. Bij het duo. B. Bij de gemeente. C. Bij het UWV.
Speaker A
C. Bij het UWV. Het UWV regelt werk- en WW-uitkeringen. A en B zijn fout.
Speaker A
Zij gaan niet over werkloosheid. Vraag 6. Susan heeft gezondheidsklachten en wil naar het ziekenhuis. Wat moet zij eerst doen? A.
Speaker A
Naar de huisarts gaan. Direct naar het ziekenhuis gaan. C. De GGD bellen. Antwoord A. Naar de huisarts gaan.
Speaker A
De huisarts is altijd de eerste stap. is fout. Dat mag alleen bij spoed. C is ook fout. De GGD is voor preventieve zorg.
Speaker A
Vraag 7 Maria heeft een brief van de Belastingdienst gekregen die zij niet begrijpt. Waar kan zij gratis hulp krijgen? A. Bij de sociaal raadslieden.
Speaker A
B. Bij de politie. C. Bij de huurcommissie. Antwoord A. Bij de sociaal raadslieden. Socialraadslieden helpen gratis bij brieven en formulieren.
Speaker A
BNC zijn fout. Zij doen dit niet. Vraag 8. Kees rijdt auto en de politie houdt hem aan voor een alcoholcontrole. Wat moet hij doen?
Speaker A
Antwoord B. Meewerken en blazen. Meewerken aan een alcoholcontrole is verplicht. A en C zijn fout. Weigeren is strafbaar.
Speaker A
Vraag 9. Sophia wil weten tot wanneer haar rijbewijs geldig is. Waar kan zij dat zien? A.
Speaker A
Op haar rijbewijs. A. Op haar rijbewijs. De geldigheid staat op het rijbewijs zelf. Vraag 10. B. Hij kan een boete krijgen.
Speaker A
De politie neemt het afval mee. Antwoord B. Hij kan een boete krijgen. De gemeente bepaalt afvalregels en kan dus ook een boete geven. A en C zijn daarom fout.
Speaker A
Dini heeft problemen met haar verhuurder over reparaties. Waar kan zij hulp vragen? A. Bij de huurcommissie B. Bij DUO C. Bij de Belastingdienst Dat is A. Bij de huurcommissie.
Speaker A
De huurcommissie helpt bij huurproblemen. B en C zijn fout. Vraag 12. Je tante wil belastingaangifte doen. Wat heeft zij onder andere nodig?
Speaker A
Dat is antwoord B. BSN en DigiD. Voor belastingaangifte heb je een BSN-endigidee nodig. A en C zijn fout.
Speaker A
Eva verdient weinig en kan een belastingaanslag niet betalen. Wat kan zij aanvragen? a. Toeslag b.
Speaker A
Studiefinanciering C. Kwijtschelding Antwoord C. Kwijtschelding Kwijtschelding betekent dat je belasting niet hoeft te betalen. Daar zijn natuurlijk regels voor.
Speaker A
Vraag 14 Jack is net jarig geweest. Hij is 15 jaar geworden. Moet hij een identiteitsbewijs kunnen laten zien? A.
Speaker A
Nee, pas vanaf 18 jaar. B. Ja, vanaf 14 jaar. C. Alleen als hij werkt.
Speaker A
Vraag 15 Op je vragen? Stel ze dan gerust onder deze video. Ik help je graag.
Speaker A
Nina heeft problemen met een overheidsinstantie en haar klacht helpt niet. Waar kan zij nu naartoe? A.
Speaker A
Naar de nationale ombudsman. B. Naar de politie. C. Naar haar buren. Antwoord A. Naar de nationale ombudsman.
Speaker A
De nationale ombudsman... B en C zijn fout. Vraag 16. B. Verhuizen B. Proberen te praten In Nederland probeer je eerst te praten. A en C zijn fout.
Speaker A
Praat het eerst uit. Of probeer dat althans. Vraag 17 Het opvoeden valt Anna zwaar. Ze heeft vier jonge kinderen. Ze wil graag hulp. Waar kan zij terecht? A. Bij jeugdzorg B. Bij het UWV C. Bij DUO Jeugdzorg helpt bij opvoedproblemen. B en C doen dat niet
Speaker A
en daarom zijn deze fout. Sam heeft ruzie met zijn buren over de warmtepomp. Hij is klaar met het gebron. Hij komt er niet uit met de buurman.
Speaker A
Wie kan helpen? A. Een maatschappelijk werker. B. De belastingdienst. C. Duo. Een maatschappelijk werker helpt bij psychosociale problemen.
Speaker A
BNC zijn fout. Vraag 19. Nora wil graag de Nederlandse nationaliteit. Ze wil naturalisatie aanvragen.
Speaker A
Waar doet zij dat? A. Bij de politie. B. Bij de GGD. C. Bij de gemeente.
Speaker A
Antwoord C. Bij de gemeente. Naturalisatie vraag je aan bij de gemeente. A en B zijn fout.
Speaker A
Vraag 20 David moet dringend medische hulp hebben na een ongeluk. Wat moet hij doen?
Speaker A
A. Naar de huisarts gaan. B. De huisartsenpost bellen. Bij levensgevaar spoed bel je altijd 112. De telefoniste helpt je dan verder.
Speaker A
Emma gaat volgend jaar studeren. Ze wil daarom graag studiefinanciering aanvragen. Waar moet zij zijn?
Speaker A
A. Bij het DUO B. Bij het UWV C. Bij de gemeente Dat is antwoord A. Bij DUO.
Speaker A
DUO regelt de studiefinanciering of de stufie. B en C zijn fout. Vraag 22. Mohammed wil een parkeervergunning voor zijn straat. Waar vraagt hij dit aan? A. Bij de politie. B.
Speaker A
C. Bij de woningbouwvereniging. Dat is antwoord B. Bij de gemeente. Parkeervergunningen regel je bij de gemeente. A en C zijn daarom fout.
Speaker A
Lisa doet elk jaar belastingaangifte. Hoe vaak is dat? A. Eén keer per maand. B. Eén keer per jaar. C. Eén keer per twee jaar.
Speaker A
Belastingaangifte doe je één keer per jaar. Elk jaar betekent één keer per jaar. Samira heeft vragen over haar mensenrechten. Welke organisatie houdt zich hiermee bezig?
Speaker A
Dat is antwoord A. Het college voor de rechten van de mens. Dit college beschermt mensenrechten.
Speaker A
Vraag 25. Julia heeft haar rijexamen gehaald. Maar haar rijbewijs heeft ze nog niet opgehaald.
Speaker A
Mag zij rijden? A. Ja, altijd. B. Nee. Eerst moet je je rijbewijs ophalen. C. Alleen met iemand naast haar mag zij rijden.
Speaker A
Dat is antwoord B. Nee, ze moet eerst haar rijbewijs ophalen. Bij de gemeente. Je moet je rijbewijs hebben om te mogen rijden. A en C zijn fout.
Speaker A
Vraag 26 Tim moet een essay schrijven. Hij wil weten wat zelfbeschikking betekent. Wat is juist?
Speaker A
A. De overheid beslist over je leven. B. Je mag zelf keuzes maken over je leven. C.
Speaker A
Alleen je ouders beslissen. Dat is antwoord B. Je mag zelf keuzes maken over je leven.
Speaker A
Zelfbeschikking betekent... A en C zijn fout. Vraag 27. Fati krijgt huurtoeslag. Waar heeft hij dit aangevraagd? A.
Speaker A
Bij de gemeente. B. Bij de woningbouwvereniging. C. Bij de belastingdienst. Toeslagen vraag je aan bij de Belastingdienst. A en B zijn fout.
Speaker A
Vraag 28. Merel heeft juridisch advies nodig. Ze kan er alleen niet voor betalen. Waar kan zij terecht?
Speaker A
Dat is antwoord A. Bij het juridisch loket. Het juridisch loket geeft gratis juridisch advies.
Speaker A
Vraag 29. Antwoord B. Nee, de leerplicht. Kinderen van 5 tot 16 jaar hebben leerplicht. Jongeren tussen de 16 en 18 jaar die nog geen startkwalificatie hebben, behaalt zijn kwalificatieplichtig. A en C zijn fout. Vraag 30 krijgt een brief van de gemeente. In de brief staat dat haar kind van 10
Speaker A
vaak niet op school is geweest zonder geldige reden. De gemeente wil hierover met haar praten. Wie controleert of kinderen naar school gaan? A. De politie B.
Speaker A
De leerplichtambtenaar van de gemeente C. Dat is antwoord B. De leerplichtambtenaar van de gemeente.
Speaker A
De leerplichtambtenaar van de gemeente controleert of kinderen... van 5 tot 18 jaar, leerplicht en kwalificatieplicht, naar school gaan en neemt contact op met ouders als er problemen zijn. A is fout.
Speaker A
De politie controleert geen schoolbezoek. C is ook fout. De belastingdienst gaat alleen over belasting en toeslagen.
Speaker A
Zover de vragen plus uitleg. Dan zijn we aan het einde gekomen van dit filmpje. Wil je meer vragen oefenen?
Speaker A
Dit boek kun je vinden op Amazon. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video. Dankjewel voor het kijken en tot de volgende keer. Doei doei!
Speaker A
Wat leuk dat je kijkt! Dit filmpje gaat over het examen KNM. Kennis van de Nederlandse Maatschappij.
Speaker A
Dit filmpje gaat over thema 4. Politiek, staatsinrichting en rechtsstaat. In dit filmpje oefen je met de woordenschat... En krijg je 30 vragen plus uitleg. En dit is versie 2026.
Speaker A
Wil je meer vragen oefenen? Ik heb een boek geschreven over het KNM-examen met duizend mogelijke examenvragen. Alle acht de thema's komen hierin aan bod. Er zijn ook vertalingen beschikbaar op Amazon. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video.
Speaker A
En dit boek kun je ook vinden in mijn lidmaatschap. Met mijn lidmaatschap kun je zelfstandig oefenen voor het inburgeringsexamen en het staatsexamen.
Speaker A
Voor het inburgeringsexamen kun je heel veel oefenen voor de spreekvaardigheid, luisteren, lezen en schrijfvaardigheid. En voor het staatsexamen kun je oefenen voor de spreekvaardigheid en de schrijfvaardigheid. En al mijn boekjes die ik ondertussen op Amazon heb staan, staan ook in mijn lidmaatschap.
Speaker A
Wil je weten hoe dit boek eruit ziet? Dan kun je deze QR-code scannen en dan kom je bij het filmpje waarin ik uitleg geef over dit boek.
Speaker A
Je kunt de ondertiteling aanzetten als je wilt. Subtitles are available. En alsjeblieft, subscribe, abonneer je op mijn kanaal. Alleen met jouw hulp kan ik groeien en kan ik zo meer mensen helpen die het Nederlands willen leren. En dat vind ik ontzettend leuk om te doen. Dus alsjeblieft,
Speaker A
abonneer je op mijn kanaal, geef een like, schrijf iets leuks onder dit filmpje en deel dit filmpje op social media. En als je het leuk vindt, kun je ook een hype geven. Dankjewel!
Speaker A
In deze video gaan we oefenen met de woordenschat, krijg je een korte quiz over de woordenschat en krijg je 30 vragen plus uitleg. We gaan beginnen met de woordenschat.
Speaker A
De categorie land en bestuur. De staat. Een land met een eigen regering en wetten.
Speaker A
De manier waarop een land is georganiseerd en bestuurd. Een systeem waarin burgers mogen stemmen en meebeslissen.
Speaker A
Een land waarin iedereen zich aan de wet moet houden, ook de overheid. Constitutionele monarchie. Een land met een koning, maar zonder politieke macht voor de koning.
Speaker A
Nederland is een constitutionele monarchie. De koning De koning is het staatshoofd van Nederland met vooral een ceremoniële taak. Ceremonieel.
Speaker A
Dat is officieel en symbolisch, zonder echte macht. Prinsjesdag. Dag in september, de derde dinsdag, waarop de koning de plannen van de regering voorleest. De troonrede.
Speaker A
Dat is de toespraak van de koning op Prinsjesdag. Een handtekening zetten. Je naam schrijven om officieel akkoord te gaan.
Speaker A
Je naam of paraaf. Dat kan allebei. Parlement en democratie. Parlement slash statengeneraal. Dat zijn de Eerste en Tweede Kamer samen. De Tweede Kamer. Dat is deel van het parlement met 150 leden, gekozen door de burgers. De Eerste Kamer.
Speaker A
Deel van het parlement met 75 leden. Een zetel. Dat is een plek, stoel, in de Tweede Kamer. De meerderheid. Meer dan de helft van de stemmen of zetels.
Speaker A
Verkiezingen en kiesrecht. De verkiezingen. Dat is het moment waarop burgers mogen stemmen. Kiezen voor een persoon of politieke partij. Een politieke partij. Dat is een groep mensen met dezelfde politieke ideeën. Actief kiesrecht. Dat is het recht om te stemmen. Passief kiesrecht. Dat is het recht
Speaker A
om gekozen te worden. Dus actief kiesrecht is het recht om zelf te stemmen en passief kiesrecht is het recht om gekozen te worden.
Speaker A
De coalitie. Dat is een samenwerking van politieke partijen met een meerderheid. De oppositie. Partijen die niet mee regeren en de regering controleren. Regeerakkoord.
Speaker A
Het plan van de coalitie voor de komende jaren. Formatie. Het proces waarin een kabinet wordt gevormd. Formateur.
Speaker A
Persoon die het kabinet samenstelt. Kabinet en regering. De staatssecretaris. minister die een minister helpt de ministerraad alle ministers samen de regering de koning en de ministerraad samen trias politica dat is de verdeling van de macht in de wetgevende uitvoerende en
Speaker A
De wetgevende macht maakt wetten, de regering en het parlement. De uitvoerende macht voert deze wetten uit, de regering. En de rechterlijke macht controleert de wetten. En dat is de Hoge Raad.
Speaker A
Bestuur op verschillende niveaus. De gemeente. De Europese Unie. samenwerking van Europese landen met gezamenlijke regels.
Speaker A
Rechtsstaat en grondwet De grondwet, de belangrijkste wet van Nederland. Artikel 1 Dit is een artikel in de grondwet over gelijkheid en discriminatieverbod.
Speaker A
Ongelijke behandeling van mensen. Dit is verboden. Gelijkheid voor de wet. Iedereen wordt hetzelfde behandeld door de wet.
Speaker A
Grondrechten. Belangrijke rechten voor iedereen. Vrijheid van meningsuiting. Het recht om je mening te zeggen.
Speaker A
Vrijheid van godsdienst. Het recht om je eigen geloof te kiezen. Zelfbeschikking. Zelf beslissingen mogen nemen over je eigen leven en lichaam. Vrouwenrechten. Rechten die zorgen voor gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
Speaker A
Bescherming van je persoonlijke leven. De persoonsgegevens. Informatie over jou, zoals naam en adres. Raad van State. Belangrijk adviesorgaan van de regering. Orgaandonatie.
Speaker A
Het geven van organen na overlijden om anderen te helpen. Dan volgt er nu een korte quiz over de woordenschat.
Speaker A
Leider van de provincie Wat hoort daarbij? Premier, burgemeester of commissaris van de koning? is commissaris van de koning.
Speaker A
Verdeling van macht in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht. Trias politica, waterschap, provincies. Dat is de trias politica.
Speaker A
Heb je een vraag? Stel hem dan gerust onder deze video. Ik help je graag. Het recht om te stemmen. Het kiesrecht is dan variabel, actief of passief.
Speaker A
Het recht om gekozen te worden. Het kiesrecht is dan variabel, actief of passief. Passief. Persoon die Is dat coalitie, formateur of minister?
Speaker A
Dat is de formateur. Tot zover de quiz. Dan ga ik nu verder met de vragen en de uitleg.
Speaker A
antwoord B. Kiezen voor een politieke partij. antwoord B. Kiezen voor een politieke partij. antwoord B. Kiezen voor een politieke partij. antwoord B. Kiezen voor een politieke partij. antwoord B.
Speaker A
Kiezen voor een politieke partij. antwoord B. Kiezen voor een politieke partij. antwoord B. Kiezen voor een politieke partij. antwoord B. Kiezen voor een politieke partij.
Speaker A
antwoord B. Kiezen voor een politieke partij. antwoord B. Kiezen voor een politieke partij. antwoord B. Kiezen voor een politieke partij. B. Kiezen voor een politieke partij. B. Kiezen voor een politieke partij. B. Kiezen voor een politieke partij. B. Kiezen voor een politie Vraag
Speaker A
2 Dan hoort dat Nederland een constitutionele monarchie is. Hij weet niet precies wat dat betekent. Wat betekent dat?
Speaker A
A. Nederland heeft een president. B. Nederland heeft een koning. C. Nederland heeft geen regering.
Speaker A
B is goed. In een monarchie is er een koning of koningin. Of allebei natuurlijk. Antwoord A is fout. Een president hoort bij een republiek.
Speaker A
C is ook fout. Nederland heeft wel een regering. Vraag 3. Op Prinsjesdag kijkt Sabrina naar de televisie. Zij ziet de koning in een speciale zaal. Wat doet de koning op Prinsjesdag?
Speaker A
A. Hij stemt over nieuwe wetten. B. Hij leest de plannen van de regering voor. C. Hij wordt gekozen door het volk.
Speaker A
B is goed. De koning leest de plannen van de regering voor. A is fout. Stemmen doen kamerleden. C is ook fout. De koning wordt niet gekozen. Vraag 4.
Speaker A
Daarna hoort dat de koning een handtekening zet onder wetten. Waarom zet de koning een handtekening? a. Omdat hij de wet heeft bedacht.
Speaker A
b. Omdat het een officiële formaliteit is. c. Omdat hij tegen de wet kan stemmen.
Speaker A
De handtekening is officieel en ceremonieel. A is fout. Wetten worden gemaakt door politici. C is ook fout. De koning stemt niet. Vraag 5 Ali hoort over het parlement. Hij weet niet precies wat dat is. Wat is het parlement? A. De regering en de koning. B.
Speaker A
Alle gemeenten samen. C. De Eerste Kamer. Antwoord C. De Eerste Kamer en de Tweede Kamer.
Speaker A
Het parlement bestaat uit de Eerste en de Tweede Kamer. A is fout, want dat is de regering. Is ook fout. Gemeenten horen daar niet bij.
Speaker A
Mark maakt een opdracht voor school en leest dat de Tweede Kamer 150 leden heeft. Wat doen deze leden vooral?
Speaker A
Nieuwe wetten bespreken en maken. B. Volgen wat de koning zegt. C. Rechters controleren. Antwoord A. Nieuwe wetten bespreken en maken.
Speaker A
De Tweede Kamer maakt en bespreekt wetten. B is fout. De koning is niet de baas van de Tweede Kamer. C is ook fout. De rechters zijn onafhankelijk.
Speaker A
Vraag 7 Na een debat gaat een wet naar de Eerste Kamer. Wat doet de Eerste Kamer?
Speaker A
A. De wet veranderen. B. Ja of nee zeggen tegen de wet. C. De wet schrijven.
Speaker A
Antwoord B. Ja of nee zeggen tegen de wet. De eerste kamer keurt wetten goed of af? A en C zijn taken van de tweede kamer.
Speaker A
Vraag 8 Pieter hoort dat burgers niet direct stemmen voor de eerste kamer. Wie kiest de leden van de eerste kamer?
Speaker A
antwoord C. De Provinciale Staten De provinciale staten kiezen de Eerste Kamer. A en B doen dat niet.
Speaker A
Vraag 9 Na de verkiezingen heeft geen enkele partij genoeg zetels. Wat moeten partijen dan doen?
Speaker A
A. Samenwerken in een coalitie. B. Stoppen met politiek. Nieuwe verkiezingen houden. Antwoord A. Samenwerken in een coalitie.
Speaker A
Partijen maken samen een coalitie. Ze vormen samen een coalitie. C is fout. De politiek gaat door.
Speaker A
C is ook fout. Dat gebeurt niet automatisch. Vraag 10. Een coalitie heeft minimaal 76 zetels nodig om een meerderheid te vormen. Waarom?
Speaker A
A. Dat is wettelijk verplicht. Dat is meer dan de helft van de zetels. C. Dat wil de koning.
Speaker A
Antwoord B. Dat is meer dan de helft van de zetels. Vraag 11 Partijen die niet meedoen in de coalitie vormen de oppositie. Wat doet de oppositie? A. Regeren B.
Speaker A
Wetten ondertekenen C. Controleren en kritiek geven Antwoord C De oppositie controleert de regering. A is fout, want dat doet de coalitie. B is ook fout, want dat doet de koning.
Speaker A
Bijvoorbeeld. Na de formatie komt de coalitie. Wat gebeurt er in de formatie? A. Het kabinet wordt gevormd. B. Burgers stemmen opnieuw. C. De koning wordt gekozen.
Speaker A
A. Het kabinet wordt gevormd. In de formatie wordt het kabinet gemaakt. De BNC kloppen niet.
Speaker A
De burgers stemmen dan niet opnieuw en de koning wordt niet gekozen. De koning kan niet gekozen worden.
Speaker A
Vraag 13. In het kabinet zitten ministers en staatssecretarissen. Wat doet een minister? A. Hij controleert rechters. Hij is verantwoordelijk voor een beleidsterrein. C. Hij stemt in de Eerste Kamer.
Speaker A
Antwoord B. Hij is verantwoordelijk voor een beleidsterrein. Een minister heeft een beleidsterrein. zoals de zorg of onderwijs.
Speaker A
A en C zijn fout. Vraag 14 Wie is de leider van het kabinet? a. de koning b.
Speaker A
de burgemeester c. de minister-president De premier leidt het kabinet. De premier of de minister-president.
Speaker A
A is ceremonieel. B is lokaal bestuur. Vraag 15. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik help je graag.
Speaker A
Wie is de leider van de regering? a. de koning b. de premier c. de voorzitter van de Tweede Kamer De premier is eindverantwoordelijk. A is fout. De koning heeft geen politieke macht. En C heeft een andere taak.
Speaker A
Vraag 16. De koning en de ministerraad samen vormen... B. Het parlement C. De oppositie Antwoord A. De regering Samen vormen zij de regering.
Speaker A
Vraag 17. Samira hoort dat Nederland een rechtsstaat is. Wat betekent dat? A. De regering mag alles. B. Alleen rechters hebben rechten.
Speaker A
C. Iedereen moet zich aan de wet houden. C is het juiste antwoord, want in een rechtsstaat geldt de wet voor iedereen.
Speaker A
A en B zijn fout. Vraag 18. In de grondwet staat artikel 1. Antwoord A. Iedereen is gelijk.
Speaker A
Discriminatie is verboden. B en C zijn discriminatie. Vraag 19. Een werkgever weigert iemand vanwege haar afkomst. Wat is dit? A. Vrijheid van keuze. B. Discriminatie.
Speaker A
Antwoord B. Discriminatie. Ongelijke behandeling is discriminatie. A en C kloppen niet. Vraag 2. Mensen mogen hun mening geven, maar niet alles zeggen. Wat mag niet? A. Kritiek geven. B. Oproepen tot geweld. C. Een mening hebben. Antwoord B.
Speaker A
Geweld oproepen is strafbaar. A en C mogen wel. Vraag 21. Wat betekent vrijheid van godsdienst?
Speaker A
A. Je moet een geloof hebben. B. Mag je geloof kiezen? C. Religie staat boven de wet.
Speaker A
Antwoord B. Je mag je geloof kiezen. Iedereen mag zijn eigen geloof kiezen. En C. zijn fout.
Speaker A
Vraag 22. Wat staat altijd boven religie en meningen? A. De grondwet. B. De koning.
Speaker A
C. Politieke partijen. De grondwet is de hoogste wet. A en C staan eronder. Vraag 23. Wat betekent zelfbeschikking?
Speaker A
A. De regering beslist over jou. B. Alleen mannen beslissen. C. Je mag zelf keuzes maken.
Speaker A
Antwoord C. Je mag zelf keuzes maken. Zelfbeschikking is een belangrijk recht. A en B zijn fout.
Speaker A
Vraag 24 Wie mag geweld gebruiken in Nederland? A. Alleen de politie. B. Iedereen. C. Alleen mannen.
Speaker A
A. Alleen de politie. De politie mag niet meer geweld gebruiken dan nodig. B en C zijn verboden.
Speaker A
Antwoord B. Beslist over straffen. Rechter beslist in rechtszaken. A en C zijn fout. Vraag 26 Iemand is het niet eens met een straf.
Speaker A
Wat kan hij doen? A. In hoger beroep gaan. B. De wet veranderen. C. Zelf beslissen.
Speaker A
Een hogere rechter kijkt dan opnieuw naar de zaak. BSC kunnen niet. Vraag 27. Iemand heeft geen geld voor een advocaat. Waar kan hij hulp krijgen?
Speaker A
B. Het juridisch loket. C. De politie. Antwoord B. Het juridisch loket. Het juridisch loket geeft gratis hulp. A en C.
Speaker A
Vraag 28. Wat zijn persoonsgegevens? a. Wetten van de overheid b. Regels van Europa c. Informatie over jouw Antwoord C. Informatie over jou.
Speaker A
Bijvoorbeeld je naam en adres. A en B zijn fout. Vraag 29. Wat doet een waterschap?
Speaker A
A. Zorgt voor waterveiligheid. B. Regelt onderwijs. C. Antwoord A. Zorgt voor waterveiligheid. Waterschappen zorgen ervoor dat het water veilig is. Bijvoorbeeld om het te kunnen drinken. B en C zijn fout. Vraag B.
Speaker A
In Nederland is er een wet over orgaandonatie. Achmed heeft hierover gehoord, maar weet niet precies wat de wet betekent.
Speaker A
Wat zegt de wet over orgaandonatie in Nederland? A. Iedereen moet verplicht organen afstaan. B. Alleen artsen mogen beslissen. Iedereen mag zelf kiezen of hij donor wil zijn.
Speaker A
Antwoord C. Iedereen mag zelf kiezen of hij donor wil zijn. Volgens de Nederlandse wet mag iedereen zelf beslissen of hij organen wil doneren.
Speaker A
Je kunt je keuze vastleggen in het donorregister. Waarom A fout is? Orgaandonatie is niet verplicht. Je hebt altijd het recht om nee te zeggen. Waarom C fout is? Artsen beslissen niet zelf. De keuze is van de persoon zelf.
Speaker A
Dan zijn we aan het einde gekomen van dit filmpje. Wil je meer vragen oefenen?
Speaker A
Dit boek kun je nu vinden op Amazon, ook met vertalingen. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video. Dankjewel voor het kijken en tot de volgende keer. Doei doei!
Speaker A
Wat leuk dat je kijkt! Dit filmpje gaat over het examen KNM. Kennis van de Nederlandse Maatschappij.
Speaker A
Dit filmpje gaat over thema 5. Onderwijs en opvoeding. In dit filmpje leer je de woordenschat... krijg je 30 vragen en krijg je uitleg. En dit is versie 2026.
Speaker A
Ik heb ook een boek gemaakt over dit examen. In dit boek staan duizend mogelijke examenvragen over alle acht thema's.
Speaker A
Er zijn ook vertalingen beschikbaar, zoals het Arabisch, Chinees, Engels, Oekraïns, Spaans en het Tigrinja. Dit boek kun je ook vinden in mijn lidmaatschap. En wil je weten hoe dit boek er van binnen uitziet? Scan dan deze QR-code en je gaat
Speaker A
direct naar het juiste filmpje. En alsjeblieft, abonneer je op mijn kanaal. Alleen met jouw steun kan ik groeien op YouTube en kan ik zo meer mensen helpen die het Nederlands willen leren. En dat vind ik ontzettend leuk om te doen. Dus alsjeblieft, subscribe, abonneer, like deze video,
Speaker A
Schrijf iets leuks onder deze video en deel deze video op social media. En geef alsjeblieft ook een hype. Dankjewel!
Speaker A
We gaan beginnen. In deze video krijg je woordenschat, een quiz over de woordenschat en vragen plus uitleg.
Speaker A
woordenschat. Onderwijs. Leren op school. Thuis kan ook. Leren. Nieuwe kennis en vaardigheden opdoen. School. Dat is de plaats waar kinderen leren.
Speaker A
De basisschool. School voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Het voortgezet onderwijs, VO. Dat is de school na de basisschool.
Speaker A
Het middelbaar onderwijs. Dat is een ander woord voor voortgezet onderwijs. Dat is groeien en nieuwe dingen leren. Mogen.
Speaker A
Een keuze hebben, niet verplicht. Moeten. Verplicht zijn om iets te doen. Leerplicht. Verplicht naar school vanaf vijf jaar. Kwalificatieplicht.
Speaker A
Een diploma. Dat is het bewijs dat iemand de opleiding heeft afgerond. 18 jaar. 4 tot 12 jaar. Groep 1 tot en met 8. De jaargroepen op de meeste basisscholen. Rekenen.
Speaker A
Basisvaardigheid die kinderen leren. De openbare school. Staat open voor iedere leerling en elke leraar. Het onderwijs gaat niet uit van een godsdienst of levensovertuiging. De bijzondere school.
Speaker A
Heeft les vanuit een godsdienst of levensbeschouwelijke overtuiging. De vrijheid van onderwijs. Ouders mogen zelf een school kiezen. De studiedag. De dag waarop leraren werken en leerlingen vrij zijn. Schoolreisje.
Speaker A
Het is een uitstapje met de klas. Het VMBO duurt 4 jaar en je kunt daarna naar het MBO of naar HAVO 4.
Speaker A
De HAVO duurt 5 jaar. De vervolgopleiding is MBO, HBO of 5-VWO. Het VWO duurt zes jaar. En daarna kun je naar de universiteit, het mbo of hbo. Het mbo. Het middelbaar beroepsonderwijs. Je leert dan voor een beroep, op verschillende niveaus. Het hbo.
Speaker A
Dat is hoger beroepsonderwijs. Je leert dan ook voor een beroep, bijvoorbeeld fysiotherapeut. De universiteit.
Speaker A
Dat is wetenschappelijk onderwijs. Je studeert dan ook voor een diploma, net als bij het mbo en hbo en een middelbare school. De brugklas.
Speaker A
Het is het eerste jaar van de middelbare school. Het schooladvies Het advies van de leraar over het niveau van het kind. De schoolkeuze De keuze van ouders welke school hun kind bezoekt. Vrijheid van onderwijs De Nederlandse wet. De regels waaraan scholen zich moeten houden.
Speaker A
De kinderopvang. De gastouder. De peuterspeelzaal. De BSO. Buitenschoolse opvang voor 4 tot 12 jaar.
Speaker A
Voor of na school of allebei. Een veilige omgeving. Heel belangrijk dat kinderen veilig kunnen opgroeien en leren. Thuis en op school. De ouders.
Speaker A
Je kan een vader en een moeder hebben, of twee vaders, of twee moeders, of één vader en één moeder. Kan ook. Ouderbetrokkenheid Interesse en hulp van ouders bij school De ouderavond Bijeenkomst voor ouders op school Het oudergesprek Het 10 minuten gesprek. Dat is een kort gesprek over het kind.
Speaker A
Over de voortgang. Hoe gaat het op school? Gaat het goed? Het rapport. Een overzicht van de schoolresultaten. En wordt besproken op het 10 minuten gesprek.
Speaker A
opvoeding. Zorgen voor kinderen. Regels geven. Grenzen stellen. De verantwoordelijkheid. Ouders zijn verantwoordelijk voor hun kind. De regels. Afspraken die kinderen moeten volgen.
Speaker A
De grenzen. Duidelijke limieten voor kinderen. mag en wat niet mag. Ouderbetrokkenheid. Ouders zijn actief betrokken bij schoolactiviteiten.
Speaker A
De ouderavonden. Dat zijn bijeenkomsten van ouders met school, op school. Oudergesprekken. Ziek melden. Ouders bellen de school als hun kind ziek is.
Speaker A
Verlof. Ouders vragen toestemming voor afwezigheid van het kind. Bijvoorbeeld buiten de vakanties om. Groeien.
Speaker A
Leren. Gelijke rechten. Iedereen heeft recht op onderwijs en kansen. Jongens, meisjes, gelijk. Geen verschil in rechten en kansen. Jongens en meisjes hebben allebei dezelfde rechten en kansen. Respect.
Speaker A
Rekening houden met anderen. Diversiteit. Omgaan met verschillende achtergronden. Seksuele diversiteit. Leren dat verschillen in seksuele voorkeur normaal zijn. Veiligheid.
Speaker A
Lichamelijke straf is verboden. Slaan is niet toegestaan. Of andere straffen ook niet. Extra hulp. Dat is ondersteuning voor kinderen die moeilijk leren.
Speaker A
Speciaal onderwijs. School voor kinderen met speciale behoeften. Bijvoorbeeld omdat ze moeilijk kunnen leren. Ondersteuning.
Speaker A
Hulp bij leren en ontwikkeling. Gratis. Meestal kost het voortgezet onderwijs tot 18 jaar niets. Er zijn een paar uitzonderingen. De ouderbijdrage. Dat is een vrijwillige bijdrage voor extra schoolactiviteiten. Bijvoorbeeld een schoolreisje.
Speaker A
De kinderbijslag. Dat is geld van de overheid voor ouders. Het kindgebonden budget. Een schoolreisje.
Speaker A
een uitstapje met de klas. Een vlag wordt vaak buitengehangen als een leerling geslaagd is.
Speaker A
Een schooltas dat is een tas voor school en symbool bij de vlag om het halen van een diploma te vieren. Dat is een traditie. Als je in Nederland slaagt voor het middelbaar onderwijs, dan hang je je vlag buiten met je
Speaker A
schooltas eraan. Dat is een Nederlandse gewoonte. Een tip. Leer deze woorden niet alleen uit je hoofd, maar probeer ze te gebruiken in zinnen, in gesprekken, En voorbeelden uit je eigen leven. Dan onthoud je ze beter en ben je goed voorbereid op het KNM-examen.
Speaker A
Als je al deze begrippen begrijpt, dan ben je al heel ver. Tot zover de woordenschat. Dan ga ik nu verder met een korte quiz over de woordenschat.
Speaker A
De ontwikkeling. Is dat kinderen groeien en leren? Of iedereen heeft recht op onderwijs en kansen?
Speaker A
Of rekening houden met anderen? is kinderen groeien en leren. Regels Geen verschil in rechten en kansen. Kinderen ontwikkelen vaardigheden.
Speaker A
Afspraken die kinderen moeten volgen. Regels zijn afspraken die kinderen moeten volgen. Kinderopvang Duidelijke limieten voor kinderen.
Speaker A
Opvang voor jonge kinderen. Vaak als ouders werken. Met religie. Dat is opvang voor jonge kinderen vaak als ouders werken.
Speaker A
Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. help je graag. Het VWO Duurt het VWO vier jaar, vijf jaar of zes jaar?
Speaker A
Het VWO duurt zes jaar. Het VMBO duurt vier jaar, vijf jaar of zes jaar.
Speaker A
Het VMBO duurt vier jaar. Tot zover de quiz over de woorden, schat. Dan ga ik nu verder met de vragen plus uitleg.
Speaker A
Sam is 4 jaar en zijn ouders vragen zich af of hij naar school moet. Ze weten dat sommige kinderen al naar school gaan op zijn leeftijd. Maar ze zijn niet zeker of het verplicht is.
Speaker A
Wat klopt? Sam mag naar school, maar het is nog niet verplicht. In Nederland mogen kinderen vanaf 4 jaar naar school. Dat betekent dat het kan, maar nog niet verplicht is. B is fout, want de leerplicht begint pas vanaf 5 jaar.
Speaker A
is ook fout, want kinderen hebben wel het recht om naar school te gaan vanaf 4 jaar.
Speaker A
Vraag 2 Romy is 17 jaar en wil stoppen met school, omdat ze het lastig vindt. Ze weet dat er regels zijn over hoe lang jongeren naar school moeten.
Speaker A
Antwoord B. Jongeren moeten naar school tot ze 18 is of een diploma heeft. In Nederland geldt de kwalificatieplicht. Jongeren moeten tot hun 18e naar school of tot ze een diploma hebben gehaald. A is fout.
Speaker A
Bijna 18 zijn geeft geen uitzondering. C is ook fout. Satusonderwijs betekent niet dat je mag stoppen.
Speaker A
Vraag 3 Tom ziet een foto van zichzelf van jaren terug. Hij zat toen in groep 5. Hij vraagt zich af hoe oud hij daar was. Hoe oud was Tom waarschijnlijk? A. Zes jaar? 8 jaar C 12 jaar Dat is antwoord B, 8 jaar. In groep 5
Speaker A
is een kind meestal 8 jaar. A is te jong en C is te oud voor groep 5.
Speaker A
Vraag 4. De basisschool duurt acht jaar van groep 1 tot en met groep 8.
Speaker A
Zes jaar is te kort en tien jaar is te lang. Vraag 5 Heb je een vraag?
Speaker A
Deze dan onder deze video. Ik help je graag. Dat is antwoord A. 4 jaar. Het VMBO duurt 4 jaar. De HAVO duurt 5 jaar en het VWO duurt 6 jaar.
Speaker A
Aan het einde van groep 8 krijgt Max een schooladvies. Zijn ouders vragen zich af wie het niveau bepaalt. Wie geeft het schooladvies? A. Zijn ouders. B.
Speaker A
De leraar van de basisschool. C. De gemeente. Het schooladvies komt van de leraar en is gebaseerd op schoolresultaten en de ontwikkeling van het kind. A is fout.
Speaker A
Ouders mogen alleen de school kiezen, niet het niveau. C is ook fout. De gemeente beslist dit niet.
Speaker A
De ouders van Sarah mogen zelf kiezen naar welke school hun kind gaat. Ze vragen zich af hoe dit heet. Wat is de juiste term?
Speaker A
A. Leerplicht B. Schooladvies C. Vrijheid van onderwijs Vrijheid van onderwijs betekent dat ouders een school mogen kiezen voor hun kind. Het niveau wordt bepaald door de school.
Speaker A
A is fout. Leerplicht gaat over verplicht naar school gaan. B is ook fout. Schooladvies gaat over het niveau van de leerling.
Speaker A
Jan gaat naar een openbare school. Hij vraagt zich af wat dat betekent. Wat is juist over een openbare school?
Speaker A
A. Een openbare school is voor iedereen. B. Is alleen voor kinderen van één geloof. C.
Speaker A
Dat is een school waar leren niet verplicht is. Antwoord A. Voor iedereen zonder religie.
Speaker A
Openbare scholen zijn voor alle kinderen toegankelijk en hebben geen religie als basis. Je leert er wel over. B is fout. Dat is een bijzondere school. C is ook fout. Leren is altijd verplicht vanaf vijf jaar. Vraag 9 Eizo gaat sinds kort naar de peuterspeelzaal. Zijn ouders
Speaker A
willen weten waarom dit goed voor hem is. Wat is het doel van een peuterspeelzaal? a. Spelen en leren voor peuters b. Kinderen voorbereiden op werk c.
Speaker A
Alleen oppassen voor kinderen van ouders die werken De peuterspeelzaal is bedoeld voor leren en spelen. B is fout.
Speaker A
De voorbereiding op werk komt later. C is ook fout. Het is niet alleen opvang, maar ook onderwijs en ontwikkeling.
Speaker A
Raoul krijgt extra hulp met taal op de voorschool. Zijn ouders vragen waarom. Waarom krijgt Raoul deze hulp?
Speaker A
A. Om beter Nederlands te leren. B. Omdat hij niet wil spelen. C. Om later naar het VMBO te gaan.
Speaker A
Voorschoolse educatie is bedoeld om taalvaardigheden te verbeteren. B is fout. Spelen is ook een onderdeel van de voorschool en dus ook belangrijk. C is fout. Het VMBO komt pas later in voortgezet onderwijs, dus na de basisschool.
Speaker A
Vraag 11 Moena gaat na school naar de BSO. Haar ouders vragen zich af wat BSO precies is. Wat klopt?
Speaker A
Antwoord A. Opvang voor kinderen voor of na school. Vraag 12 Ouders van Fabiola gaan regelmatig naar ouderavonden en hebben gesprekken met de juf. Wat betekent dit? A.
Speaker A
Ouders mogen zelf het niveau van het kind kiezen. B. Ouders zijn betrokken bij de school. De ouderbetrokkenheid.
Speaker A
C. Ouders mogen hun kind niet ziek melden. Ouders zijn betrokken bij de school. De ouderbetrokkenheid.
Speaker A
Oudderbetrokkenheid betekent dat ouders actief meedoen en interesse tonen in school. A is fout. Het schooladvies bepaalt het niveau. C is ook fout.
Speaker A
Vraag 13. antwoord C. Het kind thuis laten en ziek melden. Vraag 14 Op school leren kinderen dat respect belangrijk is. Wat betekent respect hier? A. Alleen voor jezelf zorgen.
Speaker A
B. Rekening houden met andere mensen. C. Een lichamelijke straf geven. Respect betekent dat je rekening houdt met anderen. A is egoïstisch en C is verboden in Nederland. Vraag 15 Heb je een vraag? Stel deze dan gerust onder deze video. Ik
Speaker A
help je graag verder. Op school worden jongens en meisjes gelijk behandeld. Wat betekent dit? A. Iedereen heeft gelijke rechten. B.
Speaker A
Jongens en meisjes hebben verschillende rechten. C. Jongens en meisjes krijgen aparte lessen. Dat is antwoord A. Iedereen heeft gelijke rechten.
Speaker A
heeft recht op onderwijs en gelijke kansen. BNC zijn fout. Vraag 16. De neef van Emma heeft moeite met leren en gaat naar speciaal onderwijs. Waarom?
Speaker A
A. Het speciaal onderwijs is voor kinderen die extra hulp nemen. B. Is voor kinderen die goed leren. C.
Speaker A
Waar ouders alles zelf mogen bepalen. Antwoord A. Voor kinderen die extra hulp nodig hebben.
Speaker A
Speciaal onderwijs is bedoeld voor kinderen met extra ondersteuningsbehoeften. B is regulier onderwijs. C is fout.
Speaker A
Vraag 17 Een leerling krijgt extra begeleiding op school, omdat hij niet goed kan lezen. Waarom krijgt hij extra hulp?
Speaker A
Antwoord C. Omdat hij moeite heeft met leren. Marahulp is bedoeld voor kinderen die moeilijkheden hebben bij het leren. A en B zijn geen redenen voor extra hulp.
Speaker A
Vraag 18 De ouders van Mara vragen zich af of ze moeten betalen voor de basisschool. Wat klopt?
Speaker A
B. Ouders moeten altijd betalen. C. Alleen het VMBO is gratis. Antwoord A. Onderwijs tot 18 jaar is gratis.
Speaker A
Het onderwijs, de basisschool en de middelbare school. Het onderwijs is gratis tot 18 jaar. Soms geldt er wel een bijdrage. B en C zijn fout.
Speaker A
Vraag 19 Een school vraagt een bijdrage voor het schoolreisje. Wat is dit? B. Een vrijwillige ouder bijdragen. C. Dit is verplicht, anders mag het kind niet naar school.
Speaker A
Antwoord B. Dit is een vrijwillige ouder bijdragen. Vraag 20. Dat is antwoord A. Kinderbijslag.
Speaker A
Kinderbijslag is een bijdrage van de overheid voor ouders om de kosten van hun kinderen te helpen betalen. Dit is bedoeld voor alle kinderen die in Nederland wonen. B is fout. Schoolgeld betalen ouders niet voor regulier onderwijs tot 18 jaar. Dat is gratis.
Speaker A
Dit geld is geen bijdrage van de overheid, maar een verplichting van ouders. Vraag 21 Studiefinanciering van de overheid.
Speaker A
Antwoord C. Studiefinanciering van de overheid. Studenten in het mbo, hbo of op de universiteit kunnen studiefinanciering krijgen van de overheid om hun studie te betalen.
Speaker A
A is fout. B is fout. Vraag 22. Elena gaat op schoolreisje met haar klas naar een museum. Wat is een schoolreisje? A. Een uitstapje met de klas. B. Alleen leren op school.
Speaker A
C. Vakantie van een maand. Een schoolreisje is een uitstapje georganiseerd door de school. Vaak educatief en leuk tegelijk. B is fout. Tijdens een schoolreisje leer je wel dingen, maar het is geen gewone schoolles. C is ook fout.
Speaker A
Schoolreisje duurt meestal een dag of enkele dagen, nooit een hele maand. Vraag 23 De school van Kees is gesloten, maar de leraren werken aan hun training. Wat is dit?
Speaker A
A is goed. Een studiedag is een dag waarop leerlingen vrij zijn en leraren werken aan scholing, trainingen of lesvoorbereiding.
Speaker A
Leerlingen hebben juist geen les op een studiedag. Het is geen dag speciaal voor examenvoorbereiding. Het is bedoeld voor leraren, niet voor leerlingen.
Speaker A
Samira is geslaagd voor haar diploma. Waarom doen ze dit? A. Omdat Samira naar het speciaal onderwijs gaat. B. Om extra schoolgeld te betalen.
Speaker A
C. Het is een Nederlandse traditie. Antwoord C. In Nederland is het gebruikelijk dat ouders een vlag met een schooltas buiten hangen om te laten zien dat een kind is geslaagd. A is fout.
Speaker A
Deze traditie heeft niets te maken met speciaal onderwijs. B is ook fout. Er wordt geen geld betaald. Dit is puur een traditie.
Speaker A
Vraag 25 Op school leert Louisa dat zij rekening moet houden met andere culturen en seksuele diversiteit.
Speaker A
Waarom leert zij dit? a. Om geweld te gebruiken b. Alleen met haar vrienden omgaan c. Om respectvol te zijn en verschillen te begrijpen om respectvol te zijn en verschillend te begrijpen.
Speaker A
School leert kinderen omgaan met verschillen en respectvol gedrag. A en B zijn fout. De ouders van Jet geven haar regels thuis en letten op haar gedrag.
Speaker A
Wat betekent opvoeding? a. Zorgen voor kinderen, regels en grenzen geven. b. Kinderen alles laten doen wat ze maar willen. c. Kinderen naar school sturen zonder regels.
Speaker A
Opvoeding gaat over zorg, regels en grenzen. B en C zijn fout. Vraag 27. Terwijl haar ouders werken. Wat is het doel van kinderopvang? A.
Speaker A
Kinderen alleen bezighouden. B. Leren, spelen en een veilige omgeving. C. Kinderen voorbereiden op de universiteit.
Speaker A
Is antwoord B. Leren, spelen en een veilige omgeving. Kinderopvang helpt jonge kinderen zich te ontwikkelen door spelen, door te leren en om in een veilige omgeving te zijn. A is fout. De kinderopvang gaat niet alleen om oppassen. Leren en sociale
Speaker A
ontwikkeling zijn belangrijk. Vraag 28. Na de HAVO wil Lisa verder leren. Waar kan ze naartoe? A.
Speaker A
HBO B. VMBO C. Basisschool A is goed. De HAVO leidt naar het hogere beroepsonderwijs, het HBO.
Speaker A
B is fout. Het VMBO is voor leerlingen van na de basisschool. C is ook fout. Terug naar de basisschool is onmogelijk.
Speaker A
En daar is ook geen reden toe. Na het VWO wil Mark verder leren. Waar gaat hij heen?
Speaker A
A. De universiteit. B. De basisschool. C. Groep 1. Antwoord A. De universiteit. Het VWO bereidt leerlingen voor op de universiteit. B is fout. De basisschool komt voor de middelbare school. En C is ook fout. Groep 1 is basisschool. En helemaal niet van toepassing op een VWO-leerling. Vraag 30.
Speaker A
De ouders van Lars willen een middelbare school voor hun kind. Wat mogen ze zelf beslissen? A. Zelf bepalen welk niveau het kind krijgt.
Speaker A
B. De school kiezen, maar niet het niveau. C. Het kind niet naar school sturen.
Speaker A
Oudersantwoord B. De school kiezen, maar niet het niveau. Ouders mogen de school kiezen, maar het niveau bepaalt de school via het schooladvies.
Speaker A
A en C zijn fout. Tot zover de vragen. Wil je meer vragen oefenen? Dit boek kun je vinden op Amazon. Er zijn verschillende vertalingen beschikbaar. En alle vertalingen zijn ook beschikbaar als e-book. Je vindt alle linkjes in de beschrijving van
Speaker A
deze video. Dank je wel voor het kijken en tot de volgende keer! Doei doei!
Speaker A
Wat leuk dat je kijkt! Dit filmpje gaat over het examen KNM. Kennis van de Nederlandse Maatschappij. In dit filmpje ga ik het hebben over thema 6. Wonen.
Speaker A
Je krijgt uitleg plus 30 mogelijke examenvragen. En dit is versie 2026. Ik heb ook een boek geschreven over dit examen. Alle acht de thema's komen aan bod. In dit boek staan duizend mogelijke examenvragen.
Speaker A
ook veel vertalingen gemaakt. Staat jouw vertaling er niet tussen? Laat het weten onder dit filmpje en ik zorg dat die vertaling ook op Amazon verschijnt. Dit boek staat ook in mijn lidmaatschap. Dus als je lid wordt van mijn kanaal kun je heel
Speaker A
goed oefenen voor het spreekexamen, schrijfexamen, luisteren en lezen. Allemaal voor het inburgeringsexamen. Maar je kunt ook oefenen voor het staatsexamen, voor lezen en schrijven.
Speaker A
Al mijn boeken die online staan op Amazon, die vind je ook in mijn lidmaatschap.
Speaker A
Je kunt deze QR-code scannen als je wilt weten hoe dit boek er van binnen uitziet.
Speaker A
Je kunt de vertaling aanzetten als je wilt. Subtitles are available. En abonneer je alsjeblieft op mijn kanaal. Please subscribe. Alleen met jouw hulp kan ik groeien en kan ik zo meer mensen helpen die het Nederlands willen leren. En dat vind ik ontzettend leuk om te doen. Dus
Speaker A
alsjeblieft abonneer, geef een duimpje omhoog, een like, schrijf iets leuks onder dit filmpje en deel dit filmpje op social media. Dan kunnen meer mensen leren van dit filmpje. En ik hoop dat jullie allemaal zullen slagen.
Speaker A
Je kunt nu ook een hype geven voor dit filmpje. Geef je een hype? Dankjewel! We gaan beginnen.
Speaker A
In deze video woordenschat, een quiz over de woordenschat en vragen plus uitleg. We beginnen met de woordenschat.
Speaker A
In een huis of woning leven. Dat is de plek waar je woont. Dat is een woning die je huurt.
Speaker A
Dat is een woning die je koopt en bezit. De persoon van wie het huis is.
Speaker A
Dit zijn de algemene begrippen. Huren. Elke maand geld betalen om in een woning te wonen.
Speaker A
Bijvoorbeeld in een sociale huurwoning. Het geld dat je elke maand betaalt. Dat is een schriftelijke afspraak tussen huurder en verhuurder. Geld dat je vooraf betaalt en soms terugkrijgt.
Speaker A
Verhuurder. Dat is de persoon of organisatie van wie je huurt. De huurder. De persoon die de woning huurt. Huurbescherming.
Speaker A
Regels die huurders beschermen. Soorten huurwoningen. Sociale huurwoning. Dat is een goedkope huurwoning voor mensen met een laag inkomen.
Speaker A
Deze woningen zijn goedkoper dan de huurwoningen in de vrije sector. Daarom worden ze vaak met goedkoop aangeduid. Vrije sector huur.
Speaker A
De liberalisatiegrens. is de huurprijsgrens in Nederland die bepaalt of een huurwoning valt onder sociale huur, het gereguleerde middensegment of de vrije sector.
Speaker A
De woningcorporatie of woningbouwvereniging Het is een organisatie die sociale huurwoningen verhuurt. Inschrijven. Je aanmelden om een woning te kunnen krijgen.
Speaker A
De wachtlijst. Dat is de lijst waarop je wacht tot je aan de beurt bent.
Speaker A
De urgentieverklaring. Voorrang bij woningnood. In speciale situaties. Huurtoeslag. Dat is geld van de overheid om de huur te helpen betalen. De belastingdienst.
Speaker A
Een organisatie die belastingen en toeslagen regelt. Het inkomen. Het geld dat je verdient. Een voorschot. Een bedrag dat je elke maand alvast betaalt.
Speaker A
Het kopen van een huis. Kopen. Een woord. Lening. Rente. Hypotheekrenteaftrek. Een deel van de rente terugkrijgen via de belasting. Een vaste baan. Dat is werk met een vast contract.
Speaker A
Een makelaar. Persoon die helpt bij het zoeken en kopen van een huis. Persoon die controleert of de koop officieel klopt.
Speaker A
Koopcontract Document waarin staat dat je het huis koopt. Handtekening Je naam zetten om te laten zien dat je akkoord bent.
Speaker A
Het onderhoud. Zorgen dat een woning in goede staat blijft. Grote reparaties. Reparaties aan bijvoorbeeld dak of cv-ketel. Kleine reparaties.
Speaker A
Kleine dingen, zoals een lamp vervangen. Apparaat voor verwarming en warm water. Recht om zelf te bepalen wie welke informatie over jou krijgt zonder ongewenste inmenging. Het recht op rust en een eigen ruimte.
Speaker A
Energie en water. Energie. Gas en elektriciteit voor licht en verwarming. Energiebedrijf. Bedrijf dat gas en stroom levert.
Speaker A
Elektriciteit. Stroom voor apparaten en licht. Gas. Brandstof voor koken en verwarmen. Waterbedrijf. Bedrijf dat drinkwater levert. Eén per regio. Nutsvoorzieningen. Gas, elektriciteit en water samen.
Speaker A
Duurzaam wonen. Zuinig. Niet te veel gebruiken. Energie besparen. Minder energie gebruiken. Energietransitie. Overgang van gas naar elektriciteit.
Speaker A
Milieu. De natuur en de omgeving. De veiligheid in huis. Rookmelder. Apparaat dat alarm geeft bij rook of brand.
Speaker A
Koolmonoxidemelder. Apparaat dat waarschuwt voor gevaarlijk gas. De meterkast. Kast met elektriciteit, gas en stoppen. Zekering.
Speaker A
De hoofdkraan. Kraan om het gas af te sluiten. Het afval. Afval, dat zijn dingen die je weggooit.
Speaker A
Afval scheiden. Afval in verschillende bakken doen. GFT. Groente, fruit en tuinafval. Restafval. Afval dat overblijft.
Speaker A
Chemisch afval. Gevaarlijk afval, zoals batterijen. Milieustraat. waar je groot afval brengt. Ophaaldag De dag waarop de gemeente afval ophaalt.
Speaker A
Wonen in de buurt Buren Mensen die naast, dichtbij je wonen. Overlast Registratie van je adres bij de gemeente.
Speaker A
Dan volgt er nu een korte quiz over de woordenschat. Welk begrip hoort daarbij? Milieu, meterkast of hoofdkraan?
Speaker A
De volgende. Zorgen dat een woning in goede staat blijft. Onderhoud gas zekering. Heb je vragen? Stel ze gerust onder dit filmpje. Ik beantwoord ze graag.
Speaker A
Geld dat je moet terugbetalen. Inkomen huurtoeslag Dat is een lening. Goedkope huurwoning voor mensen met een laag inkomen.
Speaker A
Vrije sectorhuur. Sociale huurwoning, koopwoning. Dat is een sociale huurwoning. De persoon van wie het huis is.
Speaker A
Dat is de eigenaar. Tot zover de quiz over de woordenschat. ga ik nu verder met de vragen plus uitleg. Vraag 1.
Speaker A
Elisa wil een goedkope huurwoning. Ze heeft weinig inkomen. Wat moet ze doen? A. Een huis kopen. B. Zich inschrijven bij een woningcorporatie. Of C.
Speaker A
Antwoord B. Zich inschrijven bij een woningcorporatie. B is goed. Sociale huur gaat via woningcorporaties.
Speaker A
A is fout, want kopen is duur. En Elisa heeft weinig inkomen. C is ook fout. Een hotel is geen woning en is geen oplossing voor de lange termijn.
Speaker A
Vraag 2 Karel staat al zes jaar op de wachtlijst voor sociale huur. Waarom duurt dit zo lang?
Speaker A
Antwoord A. Er zijn te weinig woningen. A is goed. Vraag 3. B. Huurtoeslag. C. Renteaftrek.
Speaker A
Antwoord B. Huurtoeslag. B is goed. Huurtoeslag is voor huurders. Vraag 4. alleen als hij een Nederlands paspoort heeft?
Speaker A
Antwoord A. Ja, tot een bepaald bedrag. Vanaf 2026 kunnen huurders in de vrije sector ook een toeslag krijgen over een deel van de huur. B is daarom fout.
Speaker A
C is ook fout. Dat heeft hier niets mee te maken. Vraag 5. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video.
Speaker A
Sarah moet snel verhuizen vanwege haar agressieve man. Dit is dus een noodsituatie. Wat kan ze aanvragen?
Speaker A
a. Huurtoeslag b. Urgentieverklaring c. Inboedelverzekering B is goed. Urgentie is voorrang. A is fout. Dat gaat om geld. En C is ook fout. Dat is een verzekering. Vraag 6.
Speaker A
Kees wil een huis kopen. Hij leent geld bij de bank. Wat heet dit geld?
Speaker A
Vraag 7. Het kopen van een huis betaalt Noor elke maand extra geld aan de bank.
Speaker A
Hoe heet dat? A. Rente B. Huur C. Premie A is goed, want rente dat is de kosten van het lenen.
Speaker A
B is fout, je betaalt huur voor een huurhuis. C is ook fout, de premie is voor de verzekering.
Speaker A
Antwoord B. Nee. Alleen voor kopers. Hypotheekrenteaftrek is alleen voor kopers. A en C zijn daarom fout.
Speaker A
Vraag 9. Lina huurt een woning. Wat moet ze altijd tekenen? A. Een koopcontract. B.
Speaker A
Huurcontract. C. Een polis. Antwoord B. Een huurcontract. B is goed. Dat is het contract bij huren. A is fout.
Speaker A
dat is het contract bij kopen C is ook fout want de polis hoort bij een verzekering Vraag 10 Het is winter en het is erg koud De cv-ketel van Brian is vanochtend kapot gegaan Hij woont in een huurwoning regelt dit? a.
Speaker A
De huurder b. De verhuurder c. De buurman Dat is antwoord b. De verhuurder A is fout.
Speaker A
C is ook fout. De buurman hoeft dit niet te regelen. Het wordt vroeg donker en de lamp in de gang is kapot gegaan.
Speaker A
Wie moet dit repareren? a. De verhuurder b. De huurder c. De gemeente Is antwoord B. De huurder.
Speaker A
B is goed. Dit is een kleine reparatie en de huurder moet dit zelf doen.
Speaker A
A en C zijn fout. Vraag 12. De verhuurder wil zonder afspraak het huis binnenkomen. Mag dat? B. Nee.
Speaker A
C. Alleen s'nachts. Antwoord B. Nee. B is goed. Nee, dit mag niet in verband met de privacy. En C.
Speaker A
zijn fout. David wil dichter bij zijn familie wonen en gaat verhuizen. Wat moet hij doen bij de gemeente? A. Zich uitschrijven.
Speaker A
B. Zich inschrijven op het nieuwe adres. huurtoeslag stoppen. B. Zich inschrijven op het nieuwe adres.
Speaker A
B is goed. BRP. B. Daarin moet het juiste adres zijn geregistreerd. Je hoeft je niet uit te schrijven en huurtoeslag heeft hier niets mee te maken.
Speaker A
Vraag 14. Anna had geen leuke dag op school en had geen Ze zet harde muziek aan om half twaalf s'avonds. Wat kan dit zijn? A. Gezellig. B. Overlast.
Speaker A
C. Normaal. Antwoord B. Overlast. B is goed. Naargelijk. A is fout. Voor Anna is het misschien gezellig, maar de buren of huisgenoten denken daar vast anders over. C is fout.
Speaker A
Vraag 15. Heb je een vraag? Stel hem dan gerust onder dit filmpje. Help je graag!
Speaker A
Welke verzekering is verplicht bij kopen? a. Inboedelverzekering b. Opstalverzekering c. Aansprakelijkheidsverzekering B is goed. Dat moet voor de hypotheekverstrekker. A en C zijn niet verplicht.
Speaker A
Samuel heeft een probleem. Er is vannacht ingebroken en er zijn veel spullen meegenomen. Welke verzekering dekt dit?
Speaker A
Antwoord B. De inboedelverzekering. De opstalverzekering is voor het gebouw zelf, niet voor losse spullen. C is ook fout. De zorgverzekering is voor gezondheidskosten, niet voor schade of diefstal.
Speaker A
Eva wil weten of zij recht heeft op huurtoeslag. Waar kan zij dit controleren? a. Bij de woningcorporatie b.
Speaker A
Bij de belastingdienst c. Bij de gemeente B is goed. Huurtoeslag regel je via de Belastingdienst.
Speaker A
A is fout. Die verhuurt woningen. C is ook fout. De gemeente regelt dit niet. Vraag 18.
Speaker A
huurt een woning. Wie zorgt ervoor dat de woning veilig is? A. De huurder B. De verhuurder C. De buren B. De verhuurder Vraag 19 Nina wil energie besparen. Past het best bij zuinig wonen?
Speaker A
A. De verwarming hoger zetten. B. Korter douchen. C. Lichten laten branden. Antwoord B. Kort.
Speaker A
B is goed. Korter douchen bespaart energie en water. A en C zijn fout. Dat kost juist meer energie.
Speaker A
Vraag 20 Wat hoort bij... B. Duurdere huur Vraag 21. Antwoord B. Geld dat je elke maand vooraf betaalt.
Speaker A
Een voorschot is een vooruitbetaling voor bijvoorbeeld producten of diensten. A en C zijn dus fout. Vraag 22.
Speaker A
In de glasbak. C. Inleveren als chemisch afval. Antwoord C. Inleveren als chemisch afval. C is goed.
Speaker A
A en B zijn dus fout. Vraag 23. Wat gebeurt er als je je niet inschrijft bij de gemeente na verhuizing?
Speaker A
Antwoord B. B is goed. Inschrijven in de BRP is verplicht. Doe je dit niet, dan kun je problemen krijgen met toeslagen, post of de overheid.
Speaker A
A is fout. Er kan juist wel iets gebeuren. C is ook fout. Je krijgt niet automatisch huurtoeslag. Je kunt de toeslag zelf aanvragen bij de Belastingdienst.
Speaker A
Vraag 24. water en elektriciteit. C. Kadoos en kleding. Antwoord B. Gas, water en elektriciteit.
Speaker A
A en C zijn fout. Deze horen niet bij de vaste lasten. Vraag 25. A. Meteen de politie bellen. B. Ik ben de politie bellen. Eerst rustig praten. C.
Speaker A
Verhuizen. Antwoord B. Eerst rustig praten. B is goed. Communicatie is erg belangrijk. C. Zijn te snel of niet logisch?
Speaker A
Vraag 26 Waarom beginnen veel mensen met huren? a. Omdat huren altijd beter is b. Omdat kopen duur is c. Omdat huren verplicht is Vraag 27 brand geweest in het huis van Aisha. De muren en het dak zijn beschadigd. Welke verzekering dekt dit? a. de
Speaker A
inboedelverzekering b. de opstalverzekering c. de aansprakelijkheidsverzekering De opstalverzekering. B is goed. De opstalverzekering dekt schade aan het gebouw, de muren en het dak bijvoorbeeld.
Speaker A
A is fout. Die is voor spullen in huis. C is ook fout. Die is voor schade aan anderen. Vraag 28.
Speaker A
De huurtoeslag. A is goed. Deze verzekering is voor schade die jij of je kinderen bij anderen veroorzaakt. B is fout. Die is voor je eigen huis. C is ook fout. Huurtoeslag is geen verzekering.
Speaker A
Bij Peter is er waterschade aan zijn bank en televisie door een lekkage. Welke verzekering dekt dit? a. De inboedelverzekering b. De opstalverzekering c. De zorgverzekering A is goed. Meubels en spullen in huis vallen onder de inboedelverzekering.
Speaker A
B is fout. Wie dekt het gebouw, niet de spullen? C is ook fout. Die is alleen voor zorgkosten.
Speaker A
Tijdens een storm valt er een boom op het dak van het huis van Lisa.
Speaker A
Het dak is beschadigd. Welke verzekering dekt deze schade? A. De inboedelverzekering B. De opstalverzekering C. De aansprakelijkheidsverzekering B is goed. Schade aan het gebouw, dak of muren valt onder de opstalverzekering. A is fout. Die is voor spullen in huis, niet
Speaker A
voor het dak. De spullen in het huis worden ook wel de inboedel genoemd. Vandaar de naam inboedelverzekering. C is ook fout.
Speaker A
voor schade die je bij anderen veroorzaakt. Dit waren de vragen en de uitleg. Dan zijn we aan het einde gekomen van deze video en wil je meer vragen oefenen? Het boek kun je vinden op Amazon en in mijn lidmaatschap.
Speaker A
linkjes staan in de beschrijving van deze video. Ik wil je bedanken voor het kijken en graag tot de volgende keer. Doei doei!
Speaker A
Hoi, wat leuk dat je kijkt! In dit filmpje ga ik het hebben over het KNM-examen.
Speaker A
Kennis van de Nederlandse Maatschappij. Dit filmpje gaat over thema 7. Werk en inkomen. Ik leg uit over dit thema en je krijgt 30 vragen met antwoorden. En dit is versie 2026. Over dit examen heb ik ook een boek geschreven
Speaker A
met duizend mogelijke examenvragen. Ik behandel alle acht de thema's en er zijn vertalingen beschikbaar. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video.
Speaker A
Je kunt ook deze QR-code scannen en dan kom je bij het filmpje waarin je ziet hoe het boek er van binnen uitziet.
Speaker A
En het boek staat ook in mijn lidmaatschap. Als je lid wordt van mijn kanaal kun je zelfstandig oefenen voor het spreek-, luister-, lees- en schrijfexamen. kun je oefenen op het niveau van het staatsexamen. Ik heb heel veel spreekoefeningen en schrijfoefeningen in mijn lidmaatschap staan.
Speaker A
Heb je een vraag over het boek of over het lidmaatschap? Stel hem dan onder deze video.
Speaker A
Vertalingen zijn beschikbaar. Subtitles are available. En abonneer je alsjeblieft op mijn kanaal. Please subscribe.
Speaker A
Alleen met jouw hulp kan ik groeien en kan ik zo meer mensen helpen die het Nederlands willen leren. En dat vind ik ontzettend leuk om te doen.
Speaker A
Dus abonneer, like deze video, Schrijf iets leuks onder deze video en deel deze video op social media. Dankjewel!
Speaker A
In deze video krijg je woordenschat. De woordenschat van dit thema. Dus de belangrijkste woorden van dit thema leer je in deze video. Wil ik een woord vergeten, een belangrijk begrip? Schrijf het dan onder deze video.
Speaker A
Daarna krijg je een quiz over de woordenschat. Dat is een korte quiz. En daarna volgen de vragen plus uitleg.
Speaker A
We gaan beginnen met de woordenschat. Dat is iets wat je doet om geld te verdienen.
Speaker A
Inkomen. Dat is geld dat je elke maand krijgt. Het salaris. Geld dat je krijgt voor werk.
Speaker A
En een vacature. Dat is een tekst waarin een bedrijf iemand zoekt om... solliciteren, dat is reageren op een vacature.
Speaker A
Een contract of arbeidsovereenkomst. Afspraken op papier tussen jou en je werkgever. heb je ook een tijdelijk contract? Dat is een contract met een einddatum. En je hebt ook een vast contract. Dat is een contract zonder einddatum.
Speaker A
Dus een tijdelijk contract is een contract met een einddatum en een vast contract is een contract zonder Een uitzendbureau. Dat is een organisatie die werk voor je regelt. Je bent bijvoorbeeld werkloos. Dan kun je je inschrijven bij een uitzendbureau. Het uitzendbureau,
Speaker A
de medewerkers helpen je dan verder. Dat is het bedrijf of de persoon waarvoor je werkt. Je baas.
Speaker A
En dan een werknemer. Dat is de persoon die werkt. Dus de werknemer werkt voor de werkgever. En de werkgever heeft de werknemer in dienst.
Speaker A
Dat is een organisatie die helpt bij werkzoeken en uitkeringen. Stel, je bent plots werkloos geworden, dan kun je waarschijnlijk een uitkering aanvragen bij het UWV.
Speaker A
Een uitkering Dus geld dat je krijgt als je geen werk hebt of als je ziek bent.
Speaker A
Je moet blijven solliciteren als je een uitkering krijgt. Dat is je plicht, je sollicitatieplicht.
Speaker A
En dan heb je zwart werk. Dit is verboden. En dat is werk waarover je belasting betaalt.
Speaker A
Het bruto salaris. is het salaris voor de belasting. En het netto salaris is het salaris dat je op je bankrekening krijgt.
Speaker A
De belasting is al van het netto salaris afgehaald. En dat bedrag krijg je elke maand op je bankrekening. En dan heb je ook nog toeslagen. Toeslag is extra geld van de overheid. Bijvoorbeeld voor huur of zorg.
Speaker A
Huurtoeslag bijvoorbeeld of zorgtoeslag. Heb je een vraag? Stel hem gerust onder deze video. Ik help je graag.
Speaker A
En dan hebben we nog de CAO. Collectieve arbeidsovereenkomst. Dat zijn afspraken over werk voor een grote groep werknemers.
Speaker A
Bijvoorbeeld mensen die in de zorg werken. Voor al die medewerkers is een CAO afgesproken.
Speaker A
En daarin is bijvoorbeeld opgenomen de hoogte van het loon. En dan heb je nog de ondernemer of zzp'er. Dat is iemand met een eigen bedrijf.
Speaker A
Tot zover de woordenschat. Dan volgt er nu een korte quiz over deze woordenschat. Dat is toestag.
Speaker A
Een toeslag is extra geld van de overheid, bijvoorbeeld voor huur of zorg. De volgende.
Speaker A
Het salaris voor belasting. Is dat het netto salaris, het bruto salaris of een toeslag?
Speaker A
is het bruto salaris. De volgende. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video.
Speaker A
Subscribe, like and share. Dankjewel! Is dat een uitkering, een sollicitatie of een vacature? Dat is een vacature.
Speaker A
of de persoon waarvoor je werkt. Is dat een werknemer, een werkgever of is dat de CAO?
Speaker A
Dat is de werkgever. met een eigen bedrijf. Is dat een werknemer, een werkgever of een zzp'er?
Speaker A
Dat is een zzp'er. Zelfstandige zonder personeel. Dit was de quiz. Dan ga ik nu verder met de vragen en de uitleg. Vraag 1.
Speaker A
Karin werkt bij een bedrijf. In haar contract staat een einddatum. Dat is een tijdelijk contract.
Speaker A
Een vast contract heeft geen einddatum. En een tijdelijk contract heeft een einddatum. En een modelovereenkomst is een voorbeeldcontract tussen een opdrachtgever en een zelfstandige, een zzp'er. Vraag 2 Ali zoekt werk.
Speaker A
Leest een tekst waarin een bedrijf een medewerker zoekt. Hoe heet zo'n tekst? A. Contract B.
Speaker A
Vacature C. Uitkering Vraag 3 Maria reageert op een vacature en stuurt een brief en een cv.
Speaker A
Wat doet Maria? a. Ze werkt b. Ze solliciteert c. Ze onderhandelt is antwoord B. Ze solliciteert.
Speaker A
Werken. Je doet elke dag taken voor een bedrijf of voor mensen. Daarvoor krijg je geld. Solliciteren.
Speaker A
Je vraagt om een baan, bijvoorbeeld met een brief of e-mail. Onderhandelen. Praat samen over afspraken, bijvoorbeeld over salaris of uren.
Speaker A
Vraag 4. Pablo werkt via een uitzendbureau. Wie betaalt zijn salaris? a. Het bedrijf b. De gemeente Dat is antwoord C. Het uitzendbureau.
Speaker A
Pablo werkt via een uitzendbureau. Dat betekent... het uitzendbureau zijn werkgever is. Het uitzendbureau betaalt het salaris aan Pablo. Daarom is het uitzendbureau het juiste antwoord. Het bedrijf is wel de plek waar Pablo werkt, maar Pablo heeft daar geen
Speaker A
contract. Het bedrijf betaalt niet zijn salaris. De gemeente betaalt geen salaris. De gemeente helpt soms met werk of een uitkering. Pablo werkt, dus dit is niet goed.
Speaker A
Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik beantwoord ze graag. Fabiola heeft geen werk en krijgt geld. Van welke organisatie krijgt zij dit? a. De werkgever b. Het UWV of c. De vakbond Antwoord B. Het UWV
Speaker A
Fabiola heeft geen werk en krijgt geld. En dat geld krijgt ze van het UWV. Het UWV helpt mensen namelijk die geen werk hebben en betaalt hun uitkering. En daarom is het UWV het juiste antwoord. waarom de andere antwoorden fout zijn? Een werkgever betaalt alleen geld als je
Speaker A
werkt. Fabiola heeft geen werk, dus dit is niet goed. En een vakbond helpt werknemers met advies en rechten. De vakbond betaalt geen uitkering en daarom is dit antwoord fout.
Speaker A
Je krijgt een uitkering. Wat moet je blijven doen? A. Werken zonder contract. B. Solliciteren.
Speaker A
C. Vakantie nemen. Als je een uitkering krijgt, dan heb je geen werk. En je moet dan blijven zoeken naar werk. Dit heet sollicitatieplicht.
Speaker A
En dat doe je door te solliciteren. En waarom de andere antwoorden fout zijn? Werken zonder contract is niet toegemaakt.
Speaker A
Je mag dit niet doen als je een uitkering krijgt. En als je een uitkering krijgt, moet je beschikbaar zijn voor werk. Je kunt niet zomaar vakantie nemen.
Speaker A
Vraag 7 Je werkt en krijgt contant geld. Wat is dit? Dat is antwoord B. Zwart werk. Je werkt en krijgt contant geld. Je betaalt geen belasting. Dat heet zwart werk. Waarom de andere antwoorden fout zijn?
Speaker A
Bij vrijwilligerswerk krijg je geen salaris. Soms kun je wel een vrijwilligersvergoeding krijgen. Je helpt mensen of een organisatie zonder geld.
Speaker A
Dit werk is alles officieel. Je krijgt loon op je rekening en je betaalt belasting. En dat past niet bij de beschrijving van deze vraag.
Speaker A
Vraag 8. In je contract staat 2000 euro bruto. Je krijgt 1700 euro op je rekening.
Speaker A
Hoe heet dit bedrag? B. Netto salaris. C. Toeslag. Dat is antwoord B, het netto salaris.
Speaker A
In het contract staat 2000 euro bruto. is het bedrag voor de belasting. Er gaat nog geld af voor belasting. Wat je op je rekening krijgt, zal ongeveer 1700 euro netto zijn.
Speaker A
En dat heet het netto salaris. En daarom is netto salaris het juiste antwoord. Waarom de andere antwoorden fout zijn...
Speaker A
Bruto salaris is het bedrag voor belasting. Dat staat in het contract, niet op je rekening. En een toeslag is extra geld, bijvoorbeeld voor huur of zorg. Dit is geen salaris.
Speaker A
Vraag 9 Je werkt drie dagen per week. Dit is antwoord B. Deeltijd of Vol tijd. Je werkt het hele aantal uur van een normale werkweek.
Speaker A
Bijvoorbeeld 40 uur per week. Deeltijd. Je werkt minder uren dan een normale werkweek. Bijvoorbeeld 20 uur per week.
Speaker A
Tijdelijk. Je werk is voor een korte tijd. voor drie maanden of één jaar. Dat kan voltijd zijn of deeltijd.
Speaker A
Dat maakt niet uit. Vraag 10 Je contract heeft geen einddatum. Wat voor contract is dit? a. Tijdelijk b. Vast c. Probeel Dat is antwoord B. Vast. Dit is een vast contract.
Speaker A
Een tijdelijk contract. Je werk is voor een korte tijd. Bijvoorbeeld voor drie maanden of één jaar. Een vast contract.
Speaker A
een baan voor langere tijd, zonder einddatum. Je contract stopt niet zomaar. En dan de proeftijd. Dit is een periode aan het begin van een nieuwe baan. Tijdens de proeftijd kan jij of het bedrijf snel stoppen als het niet goed gaat of
Speaker A
als je de baan niet leuk vindt. Vraag 11. Mag dat? A. Nee B. Alleen bij UWV C. Ja Dat is antwoord C. Ja Je mag werk zoeken via familie en vrienden Het is zelfs goed om alle mogelijkheden te proberen.
Speaker A
Je hoeft niet alleen bij het UWV te zoeken. Waarom de andere antwoorden fout zijn? Het is niet verboden om via familie of vrienden werk te zoeken. Het UWV kan helpen, maar je mag ook ander werk zelf zoeken.
Speaker A
Je verdient te weinig geld voor de huur. Wat kun je aanvragen? a. Boete b. Huurtoeslag c. Leding Een boete. Geld dat je moet betalen als je iets verkeerd doet, bijvoorbeeld te hard rijden.
Speaker A
Geld van de overheid om de huur van je huis goedkoper te maken. Een lening.
Speaker A
dat je leent van de bank en later terugbetaalt. En je kunt natuurlijk ook van familie of vrienden iets lenen.
Speaker A
Vraag 13. Je verliest je baan. Wat moet je doen? A. Niets. B. Blijven solliciteren.
Speaker A
C. Stoppen met zoeken. Als je je baan verliest, dan heb je geen werk meer. Je moet dan blijven zoeken naar een nieuwe baan. En dat doe je door te solliciteren. En daarom is blijven solliciteren het juiste antwoord.
Speaker A
Waarom de andere antwoorden fout zijn? Je moet niet wachten. Je moet niet wachten. actief werk zoeken. En als je stopt met zoeken, kan je geen nieuwe baan krijgen en kun je eventueel je uitkering verliezen.
Speaker A
Vraag 14 Je werkt voor één baas. Hoe heet dit? a. Ondernemer b. Loondienst c. Vrijdhuis Dat is antwoord B. Loon dienst.
Speaker A
Een ondernemer. Iemand die een eigen bedrijf heeft en zelf beslist over het werk. Je werkt voor een bedrijf of werkgever en krijgt salaris.
Speaker A
Je werkt zonder betaald te worden, vaak om anderen te helpen. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video.
Speaker A
Vraag 15. Als je een eigen bedrijf wilt starten, dan moet je je inschrijven bij de Kamer van Koophandel. De KVK registreert alle bedrijven in Nederland. Waarom de andere antwoorden fout zijn?
Speaker A
Het UWV helpt bij werkzoeken en uitkeringen. De gemeente regelt bijvoorbeeld huisvesting en lokale regels. Maar je schrijft je bedrijf niet in bij de gemeente. Vraag 16.
Speaker A
C. Stoppen met werken. Dat is antwoord B. Melden. Als je een uitkering krijgt en iets extra verdient... Moet je dit melden bij het UWV? Dan weet het UWV hoeveel geld je krijgt en hoeveel uitkering je nog krijgt. Waarom de andere
Speaker A
antwoorden fout zijn? Als je niks zegt, kan het UWV je geld terugvragen of een boete geven. Je hoeft niet te stoppen met werken. Je mag bijverdienen.
Speaker A
Vraag 17. Als je pesterijen op je werk krijgt, dan moet je dit melden. Je kunt praten met je leidinggevende, HR of de vertrouwenspersoon.
Speaker A
Zo kan het bedrijf helpen en stopt hopelijk het pesten. Niets doen helpt namelijk niet. Testen stopt dan meestal niet vanzelf.
Speaker A
Stoppen kan een optie zijn, maar het is beter eerst te melden en hulp te vragen. Vraag 18 Je werkt fulltime. Hoeveel dagen is dat meestal? A. 1 of 2 B. 3 C.
Speaker A
5 Als je fulltime, voltijd werkt, werk je meestal vijf dagen per week. Dat is een normale werkweek in Nederland.
Speaker A
Eén of twee dagen per week is deeltijd en drie dagen per week is ook deeltijd.
Speaker A
Je gaat met je baas praten over salaris. Wat doe je dan? A. solliciteren. B. onderhandelen. C. staken.
Speaker A
Als je met je baas praat over salaris, dan onderhandel je. Je probeert samen een goed bedrag of goede afspraken te maken.
Speaker A
Solliciteren doe je als je om een nieuwe baan vraagt, niet als je over salaris praat. betekent dat je niet werkt om iets te vragen of te veranderen en dat is iets anders.
Speaker A
Vraag 20 Je werkt in de zorg. Welke afspraken gelden vaak? a. CAO b. Vrij contract c.
Speaker A
A. CAO CAO. Afspraken voor een hele sector over werk en salaris. Vrij contract. Werk zonder. Zonder vaste afspraken.
Speaker A
Geen regels. Alles mag, maar dat is niet toegestaan in de zorg. Vraag 21. Jasmijn werkt zonder een contract.
Speaker A
Is dat verstandig? A. Ja. B. Nee. C. Soms. Als Jasmijn zonder contract werkt, is dat niet verstandig. Ze heeft dan namelijk minder rechten, bijvoorbeeld geen zekerheid over salaris, geen vakantiedagen en geen bescherming bij problemen.
Speaker A
Je wordt ziek en kunt niet werken. Wat gebeurt er? A. Je krijgt geen geld. B. Je krijgt hulp.
Speaker A
C. Je moet werken. Als je ziek bent en niet kunt werken, krijg je meestal geld van je werkgever of uitkering. Ook kun je hulp krijgen om beter te worden.
Speaker A
Bij ziekte krijg je vaak doorbetaling van je salaris of een uitkering. Dus dit is niet goed. Als je ziek bent, mag je niet werken.
Speaker A
Je moet rusten en herstellen. Vraag 23 Je krijgt een negatieve beoordeling. Wat kan de baas vragen? A.
Speaker A
Vakantie B. Een cursus C. Direct ontslag antwoord B, een cursus. Als je een negatieve beoordeling krijgt, kan de baas vragen dat je een cursus volgt.
Speaker A
Een cursus helpt je om beter te worden in je werk. Vakantie helpt niet om beter te worden in je werk, dus dat vraagt de baas meestal niet. Misschien alleen ter ontspanning, dat En direct ontslag is niet gebruikelijk bij een negatieve beoordeling. Vaak krijg je
Speaker A
eerst advies of training. Vraag 24. Je bedrijf heeft meer dan 50 werknemers. Wat is er dan vaak? A. Ondernemingsraad.
Speaker A
Dat is antwoord A. Ondernemingsraad. Als een bedrijf meer dan 50 werknemers heeft, is er vaak een ondernemingsraad.
Speaker A
De ondernemingsraad praat mee over regels... Iedereen heeft recht op vakantie, maar dat hangt niet af van het aantal werknemers.
Speaker A
Een toeslag is extra geld, maar dat heeft niets te maken met het aantal werknemers. Vraag 25 Dat is antwoord C, Piet zelf.
Speaker A
Hij werkt als zzp'er, een zelfstandige zonder personeel. Dat betekent dat hij geen werkgever heeft die zijn pensioen regelt.
Speaker A
Hij moet zelf zorgen voor zijn pensioen. En Piet heeft geen werkgever, dus niemand betaalt automatisch pensioen voor hem.
Speaker A
En de gemeente betaalt geen pensioen. Vraag 26. Als Samuel Zwart werkt, dus zonder contract en belasting te betalen, en contant geld krijgt, kan hij problemen krijgen.
Speaker A
Bijvoorbeeld boetes van de Belastingdienst of geen rechten bij ziekte of ongelukken. Werken zonder contract is niet toegestaan, dus er kunnen zeker problemen komen. En meer salaris krijg je niet automatisch. Het gaat hier om illegaal werk dat risico's geeft.
Speaker A
Vraag 27 Je krijgt geld van de overheid. Je hebt ook plichten. Dat... A. Ja.
Speaker A
B. Nee. C. Soms. Antwoord A. Ja. Als je geld van de overheid krijgt, bijvoorbeeld een uitkering of toeslag, En dat betekent dat je regels moet volgen, bijvoorbeeld solliciteren als je een uitkering krijgt. Dat is sollicitatieplicht.
Speaker A
En je moet veranderingen doorgeven, bijvoorbeeld bij bijverdienen of een verhuizing. Vraag 28 Sarah werkt één maand bij een kledingwinkel om te kijken of de baan bij haar past. Hoe heet dit? A. Proeftijd B.
Speaker A
Vastwerk C. Vrijwerk antwoord A. Proeftijd. Een proeftijd. Dit is een periode aan het begin van een nieuwe baan. Tijdens de proeftijd kan jij of het bedrijf snel stoppen als het niet goed gaat.
Speaker A
Vastwerk. Dat is een baan voor lange tijd, zonder einddatum. Je contract stopt niet zomaar. Dat is werk zonder vaste afspraken. Bijvoorbeeld zonder contract of vaste uren. Vraag 29.
Speaker A
Je zoekt informatie over een bedrijf voor een gesprek. Waarom? A. Dat is verplicht. B. Voor een goede eerste indruk.
Speaker A
voor de belasting. Dat is antwoord B voor een goede eerste indruk. Interesse tonen is belangrijk. Je hebt hierdoor meer kans dat je de baan krijgt.
Speaker A
weet je dan misschien het antwoord op een vraag tijdens de sollicitatie. Vraag 30 Je verdient geld om te leven.
Speaker A
Waarom werk je? a. Voor inkomen b. Voor regels c. Voor je vrienden Je werkt om geld te verdienen. En dat geld gebruik je om te leven.
Speaker A
Bijvoorbeeld voor eten, wonen en kleding. Je werkt niet om regels te volgen. Regels zijn er om het werk goed te laten verlopen.
Speaker A
En je werkt niet voor je vrienden. Ook al kun je soms samenwerken of collega's hebben. geld verdient omdat je werkt, kan je leuke dingen doen met je vrienden.
Speaker A
Dit waren de vragen plus uitleg. Dan was dit het voor deze video. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik help je graag. En dit boek kun je vinden op Amazon. Alle linkjes van de vertalingen staan
Speaker A
onder deze video in de beschrijving. En abonneer je alsjeblieft op mijn kanaal als je dat nog niet gedaan hebt. Dankjewel voor het kijken en tot de volgende keer. Doei doei!
Speaker A
Wat leuk dat je kijkt! Dit filmpje gaat over KNM. Kennis van de Nederlandse maatschappij.
Speaker A
Dit filmpje gaat over thema 8. Omgangsvormen, cultuur, normen en waarden. In deze video geef ik uitleg... krijg je 30 mogelijke examenvragen. En dit is versie 2026.
Speaker A
Ik heb ook een boek geschreven over dit examen met 1000 mogelijke examenvragen. acht de thema's staan in dit boek. Ik heb ook verschillende vertalingen gemaakt. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video. En dit boek staat ook in mijn lidmaatschap. Met mijn
Speaker A
lidmaatschap kun je zelfstandig oefenen voor het inburgeringsexamen. Ook kun voor het staatsexamen het spreken en het schrijven oefenen.
Speaker A
Scan deze QR-code en dan zie je de binnenkant van het boek. Je kunt de ondertiteling aanzetten als je wilt.
Speaker A
En abonneer je alsjeblieft op mijn kanaal. Please subscribe. Alleen met jouw hulp kan ik groeien op YouTube en kan ik zo meer mensen helpen die het Nederlands willen leren. Dus...
Speaker A
Like deze video, schrijf iets leuks onder deze video en deel deze video op social media. Ik vind het ontzettend leuk om les te geven.
Speaker A
En je kunt nu ook een hype geven. Geef deze video alsjeblieft een hype om de video te boosten. Dankjewel!
Speaker A
In deze video. Je krijgt woordenschat. Een quiz over de woordenschat. We gaan beginnen met de woordenschat. De algemene begrippen.
Speaker A
Cultuur. De manier waarop mensen leven, denken en met elkaar omgaan. Waarde. Iets wat mensen belangrijk vinden.
Speaker A
Een regel over gedrag. Omgangsvormen Hoe mensen met elkaar omgaan. Respect Andere mensen goed behandelen.
Speaker A
Vrijheid Zelf keuzes mogen maken. Gelijkheid, gelijkwaardigheid. Iedereen heeft dezelfde rechten. Discriminatie. Mensen ongelijk behandelen. Dat mag niet.
Speaker A
Stereotype. Een algemeen idee over een groep mensen. Klopt niet altijd. Vaak niet zelfs. Zelfbeschikking. Zelf beslissen over je leven, lichaam en relaties. Recht.
Speaker A
Iets wat mag volgens de wet. Een wet. Officiële regels van de overheid. Voorrang van de wet.
Speaker A
Het is belangrijker dan religieuze of culturele regels. Vrijheid van meningsuiting Je mening mogen zeggen binnen de wet. Verboden Iets is niet toegestaan. Toegestaan is wel toegestaan. Het mag dus.
Speaker A
Direct Duidelijk zeggen wat je denkt. Eerlijk De waarheid zeggen. Formeel Netjes en zakelijk. Een voorbeeld op het werk. Informeel. Ontspannen.
Speaker A
Bij vrienden of familie. Mening. Wat je denkt of vindt. Een afspraak. Een gepland moment.
Speaker A
Laten weten dat je niet komt. Op tijd. Niet te laat. In Nederland is het belangrijk dat je op tijd komt. Dus niet te laat komen.
Speaker A
Instantie. Grote organisatie. De gemeente. De lokale overheid in je woonplaats. Vereniging. Club voor sport, muziek of buurt.
Speaker A
Vrijwilligerswerk. Werk zonder salaris. Lidwoorden. Je hebt automatisch een aantal rechten en plichten tegenover elkaar.
Speaker A
Bij het huwelijk geef je elkaar het ja-woord... Die ceremonie heb je niet bij een geregistreerd partnerschap.
Speaker A
Een samenlevingscontract. Je hebt niet automatisch een aantal rechten en plichten tegenover elkaar, maar je legt deze rechten en plichten vast in een contract.
Speaker A
De partner. Dat is de man of vrouw met wie je samen bent. Iets moeten doen tegen je wil.
Speaker A
Verjaardag Dag waarop iemand is geboren. Feliciteren Zeggen gefeliciteerd. Overlijden Doodgaan Iemand overlijdt, dan gaat deze persoon dood. Een rouwkaart. Dat is een kaart bij een overlijden.
Speaker A
Condoleren. Medeleven tonen. Gekondoleerd. Dat kun je zeggen bij een overlijden. Wat je weggooit, dus wat je in de prullenbak doet.
Speaker A
Afvalscheiden Dan doe je het afval in verschillende bakken. Zoals plastic, papier, groente. Plastic, papier, GFT. Dat zijn soorten afval. Omgeving Een feestdag.
Speaker A
Dat is een speciale dag. Waarop men iets viert. Dat is iets wat mensen al lang doen. Koningsdag.
Speaker A
Dat is op 27 april. Sinterklaas. Dat is een kinderfeest op 5 december. Kerstavond is op 24 december. En kerst wordt gevierd op 5.
Speaker A
De geboorte van Jezus wordt dan gevierd. Oud en nieuw. Dat is op 31 december.
Speaker A
Dat is het einde en het begin van het jaar. De dodenherdenking. De Tweede Wereldoorlog, WO2. Dat is de oorlog van 1940 met 1945 in Nederland.
Speaker A
Nederland was bezet door Duitsland van 1940 en 1945. Voor andere landen duurde deze oorlog langer, bijvoorbeeld Polen.
Speaker A
De Holocaust, dat is de moord op Joodse mensen in de oorlog. Denken aan mensen die zijn overleden. Op 4 mei tijdens de dodenherdenking herdenken we alle mensen die overleden zijn door de oorlogen op de wereld, vroeger en nu. We zijn dan twee minuten stil. Antisemitisme
Speaker A
Haat tegen Joodse mensen. En dat mag natuurlijk niet. Tot zover de woorden, schat. Ben ik een woord, een belangrijk woord of begrip vergeten? Zet hem dan onder deze video. Dankjewel.
Speaker A
Dan ga ik nu verder met de quiz. Welk begrip hoort daarbij? W.O.2, Ketikoti of Traditie?
Speaker A
Dat is W.O.2, de Tweede Wereldoorlog. Een grote organisatie, zoals gemeente UWV. Partner instantie vrijwilligerswerk.
Speaker A
Een instantie. Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik beantwoord ze graag. De wet is belangrijker dan religieuze of culturele regels.
Speaker A
Dat is voorrang van de wet. Zelfbeslissen over je leven, lichaam en relaties. Netjes en zakelijk, bijvoorbeeld op het werk.
Speaker A
Formeel informeel mening. Formeel is netjes en zakelijk. Dan ga ik nu verder met de vragen en uitleg.
Speaker A
Vraag 1. Wat betekent zelfbeschikking? Dat is antwoord C. Je beslist zelf over je leven.
Speaker A
Vraag 2 Dat is antwoord B, de Nederlandse wet. Nederlandse wet heeft altijd voorrang. A en C zijn fout, want religie en cultuur zijn persoonlijk. Maar de wet geldt voor iedereen.
Speaker A
Vraag 3 Wat betekent gelijkwaardigheid? Antwoord B. Gelijkwaardigheid gaat over gelijke rechten. A en C zijn fout. Mensen mogen verschillend zijn.
Speaker A
Vraag 4 Wat mag in Nederland? B. Mensen mogen kiezen met wie ze trouwen. C. Trouwen is verplicht.
Speaker A
Is antwoord B. Mensen mogen kiezen met wie ze trouwen. Iedereen mag zelf kiezen met wie hij of zij trouwt. A en C zijn fout. Dit is tegen gelijkheid en vrijheid.
Speaker A
Heb je vragen? Stel ze gerust onder deze video. Ik beantwoord je vragen graag. Wat betekent vrijheid van meningsuiting? A.
Speaker A
Je mag alles zeggen zonder regels. Je mag je mening geven binnen de wet. C. Je mag alleen positief praten.
Speaker A
Je mag je mening geven binnen de wet. Je mag je mening geven, maar niet beledigen of bedreigen. A en C zijn fout. Vraag 6 Wat betekent dat? A. Ze zijn altijd boos.
Speaker A
B. Ze zeggen eerlijk wat ze denken. C. Ze zeggen niets. B. Ze zeggen eerlijk wat ze denken.
Speaker A
Direct betekent duidelijk en eerlijk communiceren. A en C zijn fout. Vraag 7. Wat doe je als antwoord C Afzeggen is respectvol. A en B zijn fout, dat is onbeleefd.
Speaker A
Vraag 8. Wat laat respect zien? A. Te laat komen. B. Luisteren naar anderen. C. Mensen onderbreken.
Speaker A
Antwoord B. Luisteren naar anderen. Luisteren toont respect. Vraag 9. Wat is formeel gedrag? a. Gedrag bij vrienden b. Gedrag op het werk c. Gedrag op een feestje Formeel is netjes en zakelijk. A en C zijn informeel. Vraag 10.
Speaker A
Een algemeen idee dat niet altijd klopt. Antwoord C. Een algemeen idee dat niet altijd klopt.
Speaker A
A en B zijn fout. Vraag 11. gecondoleerd. Gecondoleerd. Dat toont medeleven. A en C zijn ongepast.
Speaker A
Vraag 12. Wat hoort bij zorg voor A. Afval op straat gooien. B. Harde muziek s'nachts. C. Rekening houden met buren.
Speaker A
Rekening houden is normaal. A en B zijn fout. Vraag 13. omdat het verplicht is voor kinderen.
Speaker A
B. Voor het milieu. Afvalscheiden is goed voor de omgeving. A en C zijn fout.
Speaker A
Antwoord B. Feestdag over slavernij Hetikotti herdenkt de afschaffing van de slavernij. A en C zijn fout.
Speaker A
Vraag 15 Heb je vragen... gerust onder deze video. Ik beantwoord de vragen graag. Wat doe je bij een verjaardag? a. Alleen de jarigen feliciteren b. Niemand feliciteren c.
Speaker A
Iedereen feliciteren. Antwoord C. Vaak iedereen feliciteren. Dat is gebruikelijk in Nederland. Je feliciteert bijvoorbeeld de moeder van de jarige ook.
Speaker A
Vraag 16 In Nederland mag je je mening geven, ook tegen een leidinggevende. A is fout, je mag wel praten. En B is ook fout, want boos worden is niet respectvol.
Speaker A
Sophia is uitgenodigd voor een verjaardag. Ze kan niet komen. Wat moet zij doen? A. Niet gaan en niets zeggen.
Speaker A
B. Op tijd afzeggen. C. De volgende dag sorry zeggen. Afzeggen laat respect zien. A en C zijn fout. Te laat of niets zeggen is niet netjes.
Speaker A
Vraag 18 Fatima woont in een flat. S'avonds laat muziek luisteren. Wat is het beste gedrag?
Speaker A
A. Muziek hard aanzetten. B. Rekening houden met de buren. C. Alleen aan zichzelf denken.
Speaker A
In Nederland houd je rekening met anderen. A en C zijn fout, dat kan overlast geven. Vraag 19 Dat zijn buurman afval verkeerd weggooit. Wat is normaal?
Speaker A
A. Het afval op straat gooien. B. Je kunt het hem vertellen. C. Boos schreeuwen. B.
Speaker A
Je doet zelf wat hoort en blijft respectvol. A en C zijn fout gedrag. Vraag 20. Laila krijgt een rouwkaart van haar collega.
Speaker A
Wat kan zij het beste doen? doen. B. Gecondoleerd zeggen of een kaart sturen. C.
Speaker A
Gefeliciteerd zeggen. B. Gecondoleerd zeggen of een kaart sturen. A en C zijn fout. Vraag 21. Agnes is nieuw in Nederland en wil mensen leren kennen. Wat helpt het meest? A.
Speaker A
Alleen thuisblijven. B. Lid worden van een vereniging. niemand aanspreken. B. Lid worden van een vereniging.
Speaker A
Verenigingen en vrijwilligerswerk helpen bij contact. C. Zijn fout. Vraag 22 Mirjam wil trouwen, maar haar familie wil dat niet. Wat is juist in Nederland? A. De familie beslist.
Speaker A
B. Mirjam beslist zelf. C. De overheid beslist. Zelfbeschikking is belangrijk in Nederland. A en C zijn fout.
Speaker A
Je mag zelf kiezen. Vraag 23. Etra is het oneens met haar buurvrouw. Wat is normaal gedrag?
Speaker A
Direct en rustig praten. B. De politie bellen. C. Ruzie maken. A. Direct en rustig praten.
Speaker A
Vraag 24. Peter gaat voor het eerst naar de gemeente. Hoe kan hij zich het beste gedragen? A. Informeel en slordig.
Speaker A
Formeel en beleefd. C. Helemaal niets zeggen. Antwoord B. Formeel en beleefd. Vraag 25. antwoord C. Zijn mening rustig uitleggen.
Speaker A
A en B zijn fout. Vraag 26. Nora hoort een grap over een groep mensen op haar werk. Wat is juist? A. Meelachen. B. Zijf.
Speaker A
dat dit niet respectvol is c. Zelf ook een grap maken b. Zeggen dat dit niet respectvol is Discriminatie en pesten zijn niet toegestaan. Een grapje kan leuk zijn, maar kan mensen ook heel erg kwetsen.
Speaker A
A en C zijn fout. Vraag 27 Emma is op bezoek bij vrienden in Nederland.
Speaker A
A. Zonder afspraak langskomen. B. Eerst een afspraak maken. C. Altijd blijven slapen. Antwoord B. Eerst een afspraak maken.
Speaker A
Zaken maken is belangrijk in Nederland. A en C zijn fout. Vraag 28 In een video ziet Sarah dat iemand te laat komt en niets zegt. Wat is de juiste conclusie? A.
Speaker A
Dit is normaal gedrag. B. onbeleefd gedrag. C. Dit is verplicht gedrag. Antwoord B. Dit is onbeleefd gedrag.
Speaker A
Vraag 29. Elisa ziet op social media een bericht dat volgens haar beledigend is voor een groep mensen. Wat past het best bij de Nederlandse normen?
Speaker A
B. Het bericht negeren of melden en respectvol reageren. C. Boze reacties sturen met scheldwoorden.
Speaker A
B. Het bericht negeren of melden en respectvol reageren. In Nederland is respect belangrijk en discriminatie is niet toegestaan.
Speaker A
Beledigende berichten kun je negeren of melden. A. Is fout. Meelachen met belediging is niet respectvol.
Speaker A
Vraag 30. B. Wachten tot iemand haar belt. C. Contact opnemen met de club en vragen hoe zij kan helpen. Antwoord C.
Speaker A
Spraak opnemen met de club en vragen hoe zij kan helpen. In Nederland neem je vaak zelf initiatief en maak je afspraken.
Speaker A
A is fout. Zomaar beginnen is niet netjes. B is ook fout. Afwachten is niet gebruikelijk.
Speaker A
Dit was het voor deze keer. Wil je meer vragen oefenen? Het boek kun je vinden op Amazon. Alle linkjes staan in de beschrijving van deze video.
Speaker A
Bedankt voor het kijken en tot de volgende keer! Doei doei!
Topics:KNM examenNederlandse maatschappijgeschiedenis Nederlandgeografie Nederlandwoordenschat NederlandsinburgeringTachtigjarige OorlogGouden EeuwTweede Wereldoorlogdeltawerken











